beslissing ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht zaaknummers : 200.310.659/01 GDW en 200.310.678/01 GDW nummer eerste aanleg : C/13/711290 / DW RK 21/572 beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 7 maart 2023 inzake (200.310.659/01 GDW) 1 [appellant 1] , gerechtsdeurwaarder te [vestigingsplaats 1] , 2. [appellant 2], gerechtsdeurwaarder te [vestigingsplaats 2] , appellanten, gemachtigde: mr. J.D. van Vlastuin, advocaat te Veenendaal, tegen BUREAU FINANCIEEL TOEZICHT, gevestigd te Utrecht, geïntimeerde, gemachtigden: mr. [naam 2] en mr. [naam 3] , en inzake (200.310.678/01 GDW) BUREAU FINANCIEEL TOEZICHT, gevestigd te Utrecht, appellant, gemachtigden: mr. [naam 2] en mr. [naam 3] , tegen 1 [appellant 1] , gerechtsdeurwaarder te [vestigingsplaats 1] , 2. [appellant 2], gerechtsdeurwaarder te [vestigingsplaats 2] , geïntimeerden, gemachtigde: mr. J.D. van Vlastuin, advocaat te Veenendaal. Partijen worden hierna de gerechtsdeurwaarders (respectievelijk gerechtsdeurwaarder 1 en gerechtsdeurwaarder 2) en het BFT genoemd. 1De zaken in het kort Het BFT heeft een onderzoek verricht bij het kantoor van de gerechtsdeurwaarders. Naar aanleiding van de uitkomsten van dit onderzoek heeft het BFT een tuchtklacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarders. De klacht ziet onder andere op het niet voldoen aan de bewaarplicht, het leggen van beslag “op de gok” en het niet tijdig overbetekenen van derdenbeslagen. 2De gedingen in hoger beroep In de zaak met nummer 200.310.659/01 GDW 2.1. De gerechtsdeurwaarders hebben op 29 april 2022 een beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 1 april 2022 (ECLI:NL:TGDKG:2022:45). 2.2. Het BFT heeft op 13 juli 2022 een verweerschrift bij het hof ingediend. In de zaak met nummer 200.310.678/01 GDW 2.3. Het BFT heeft op 29 april 2022 een beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend tegen voormelde beslissing van de kamer. 2.4. De gerechtsdeurwaarders hebben op 13 juli 2022 een verweerschrift – met bijlage – bij het hof ingediend. In beide zaken 2.5. Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen. 2.6. De zaken zijn gelijktijdig behandeld op de openbare terechtzitting van het hof van 22 december 2022. De gerechtsdeurwaarders zijn met hun gemachtigde verschenen. Namens het BFT zijn de gemachtigden en [naam 1] verschenen. Zij hebben allen het woord gevoerd; de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders en gemachtigde [naam 3] aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnota’s. 3Feiten Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. De feiten zijn de volgende. 3.1. Het BFT heeft op grond van artikel 30 van de Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: Gdw) tussen 12 maart 2020 en 15 juli 2020 een onderzoek verricht bij het kantoor van de gerechtsdeurwaarders. 3.2. Bij brief van 10 november 2020 heeft het BFT het (definitieve) onderzoeksrapport aan de gerechtsdeurwaarders gezonden. 3.3. Op 19 augustus 2021 heeft op verzoek van de gerechtsdeurwaarders een gesprek plaatsgevonden tussen het BFT en de gerechtsdeurwaarders, waarbij de gerechtsdeurwaarders de mogelijkheid hebben gekregen om een nadere toelichting te geven op het onderzoeksrapport. Deze toelichting heeft niet geleid tot aanpassingen van de bevindingen van het BFT. 4De klacht Het BFT verwijt de gerechtsdeurwaarders – samengevat – dat zij: a. door administratieve tekortkomingen geen correct beeld hebben gehad van de stand van de bewaarpositie waardoor op verscheidene momenten een (niet opgemerkt) bewaringstekort is ontstaan; ook zijn ten onrechte betalingen gedaan vanaf de kwaliteitsrekening naar anderen dan rechthebbenden; b. onnodige ambtshandelingen hebben verricht en dientengevolge onnodige kosten hebben gemaakt; c. niet hebben voldaan aan de ratio’s van liquiditeit en solvabiliteit zoals vastgesteld in de (destijds geldende) Bestuursregel liquiditeit en solvabiliteit; d. derdenbeslagen niet tijdig hebben overbetekend; e. niet hebben voldaan aan de (destijds geldende) Bestuursregel ter regulering van de voorfinanciering van out of pocket‐kosten; f. beslagen hebben gelegd zonder voorafgaand het Digitaal Beslag Register (DBR) te raadplegen. 5Beoordeling 5.1. De kamer heeft in de bestreden beslissing klachtonderdeel a. ongegrond verklaard en klachtonderdelen b. tot en met f. gegrond verklaard. Aan ieder van de gerechtsdeurwaarders is de maatregel van schorsing voor de duur van één jaar opgelegd. Voorts heeft de kamer de gerechtsdeurwaarders hoofdelijk veroordeeld in de kosten. Tekortschieten in de berekening van de bewaarplicht (klachtonderdeel a, eerste onderdeel) 5.2. De bewaarplicht zoals omschreven in artikel 19 Gdw is van dwingend recht. Dit artikel strekt ertoe om derden voor wie de gerechtsdeurwaarder in verband met zijn werkzaamheden tijdelijk gelden onder zich krijgt, te beschermen tegen déconfitures, fraude daaronder begrepen. Het voorschrift omvat zowel de gelden die de gerechtsdeurwaarder wegens zijn ambtelijke werkzaamheden verkrijgt, als de gelden welke hij ingevolge andere werkzaamheden als bedoeld in artikel 20 Gdw ontvangt. 5.3. De BLOS-regelgeving ziet op een bepaalde wijze van berekening van de bewaarpositie en waardering van het onderhanden werk. Deze BLOS-regels zijn opgesteld door een werkgroep die in het leven is geroepen door de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) en zijn vervolgens opgenomen in de (destijds geldende) Administratieverordening gerechtsdeurwaarders van 20 juni 2013. Wat betreft de uitleg van de verordening, wordt daarin verwezen naar een verslag van de werkgroep BLOS. In dit verslag van de werkgroep BLOS van 28 oktober 2011 is opgenomen dat – volgens vaste rechtspraak – indien de opdrachtgever als tussenpersoon optreedt, de bewaarplicht minimaal op eiserniveau dient te worden bepaald, tenzij met de opdrachtgever expliciet anders is overeengekomen. De gerechtsdeurwaarders en het BFT verschillen van mening over de uitleg van deze uitzondering. De gerechtsdeurwaarders stellen zich op het standpunt dat zij met hun opdrachtgever Intrum Justitia expliciet anders zijn overeengekomen en dat zij daarom de bewaarplicht op opdrachtgeverniveau mochten bepalen. Volgens het BFT is met deze uitzondering bedoeld aan te geven dat de bewaarplicht minimaal op eiserniveau dient te worden berekend, maar dat ook gekozen mag worden voor de strengere variant van berekening op dossierniveau. In ieder geval mag van contractuele afspraken nooit een lagere bewaarplicht dan op eiserniveau het gevolg zijn, aldus het BFT. 5.4. Het hof overweegt als volgt. De rechthebbende als bedoeld in artikel 19 Gdw is degene voor wie een gerechtsdeurwaarder een vordering probeert te innen. In het geval van Intrum Justitia hebben rechthebbenden ervoor gekozen om niet zelf aan de gerechtsdeurwaarders opdracht te geven om tot inning van hun vordering over te gaan, maar hebben zij Intrum Justitia gevraagd dit te doen. Intrum Justitia is daarmee de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarders geworden en fungeert zowel voor de gerechtsdeurwaarders als voor de rechthebbende als tussenpersoon. Wanneer een rechthebbende rechtstreeks bij de gerechtsdeurwaarders zou aankloppen voor uitkering van een aanwezig positief saldo, zal hij door de gerechtsdeurwaarders worden verwezen naar Intrum Justitia. Er bestaat namelijk geen contractuele rechtsverhouding tussen de gerechtsdeurwaarders en de rechthebbende. De gerechtsdeurwaarders zullen ook niet op de hoogte zijn van de contractuele afspraken tussen Intrum Justitia en de rechthebbenden, waardoor een rechthebbende wellicht niet eens het volledige geïncasseerde bedrag toekomt. Voor de bewaarplicht betekent dit dat in deze situatie de gerechtsdeurwaarders in staat moeten zijn om aan hun opdrachtgever (in dit geval Intrum Justitia) het aan deze opdrachtgever toekomende saldo op de kwaliteitsrekening af te dragen. Dat betekent in dit geval dus geen bewaarplicht op eiserniveau, maar op opdrachtgeverniveau. De rechthebbenden hebben in deze situatie immers geen zelfstandige aanspraak op het saldo op de kwaliteitsrekening. Het BFT stelt zich op het standpunt dat de uitzondering in het verslag van de werkgroep BLOS (“bewaarplicht minimaal op eiserniveau, tenzij anders overeengekomen”) alleen een strengere variant van berekening op dossierniveau mogelijk maakt. Hoewel dat zonder meer een uitleg is die aan de vermelding in het verslag gegeven kan worden, is ook de uitleg van de gerechtsdeurwaarders verdedigbaar. Zij stellen dat de “tenzij”-bepaling het mogelijk maakt om de bewaarplicht op opdrachtgeverniveau te stellen, als dat uitdrukkelijk met die opdrachtgever is overeengekomen. Bij deze stand van zaken hebben de gerechtsdeurwaarders niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door de bewaarplicht voor Intrum Justitia op opdrachtgeverniveau vast te stellen. Het hof acht daarom dit klachtonderdeel, net als de kamer, ongegrond. Ten onrechte betalingen doen vanaf de derdengeldrekening (klachtonderdeel a, tweede onderdeel) 5.5. Volgens artikel 19 Gdw is de kwaliteitsrekening uitsluitend bestemd voor gelden die een gerechtsdeurwaarder in verband met zijn werkzaamheden als zodanig ten behoeve van derden onder zich krijgt en voor gelden die aan hem worden toevertrouwd ten behoeve van derden. Een gerechtsdeurwaarder mag van deze rekening uitsluitend betalingen doen aan de rechthebbenden. De gerechtsdeurwaarders hebben erkend dat zij in opdracht van een rechthebbende gemaakte kosten of betaalde verschotten direct vanaf de derdengeldrekening aan derden hebben betaald in plaats van vanaf de kantoorrekening. Tijdens het onderzoek hebben zij hierover aan het BFT verklaard dat zij dachten dat dit was toegestaan. Volgens het hof moet het de gerechtsdeurwaarders echter genoegzaam bekend zijn dat de kwaliteitsrekening een beschermde rekening is waarvan zij geen gebruik dienen te maken anders dan voor het bewaren van de bedragen die zij in verband met hun werkzaamheden als zodanig ten behoeve van derden onder zich hebben. Daarom staat vast dat de gerechtsdeurwaarders in strijd hebben gehandeld met het bepaalde in artikel 19 Gdw. Dat de gerechtsdeurwaarders direct na de constatering door het BFT hun werkwijze hebben verbeterd, doet hieraan niet af, evenmin als het gegeven dat van enig voor- of nadeel voor de daarbij betrokken partijen niet is gebleken. Het hof acht dit klachtonderdeel, anders de kamer, gegrond. Onnodige ambtshandelingen (klachtonderdeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.