GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 21/01796 14 februari 2023 uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] B.V., gevestigd te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels) tegen de uitspraak van 4 november 2021 in de zaak met kenmerk HAA 20/2024 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats], de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) met dagtekening 31 oktober 2019 de waarden van de vijf onderdelen (de objecten) van de onroerende zaak [A-straat] te [plaats] (de onroerende zaak) voor het kalenderjaar 2017 vastgesteld (de WOZ-waarden). In hetzelfde geschrift heeft de heffingsambtenaar voor elk van de vijf onderdelen ook de aanslag onroerendezaakbelastingen 2017 en rioolheffing 2017 (de aanslagen) bekend gemaakt. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. 1.2. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de WOZ-waarden en de aanslagen gehandhaafd. 1.3. Het door belanghebbende heeft daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard. 1.4. Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 9 december 2021 en aangevuld bij brief van 16 februari 2022. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Door belanghebbende zijn op 27 oktober en 13 december 2022 nadere stukken ingediend, waarvan een kopie aan de heffingsambtenaar is gezonden 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2023. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2Feiten 2.1. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (belanghebbende en de heffingsambtenaar worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiseres’ respectievelijk ‘verweerder’): “1. Eiseres is de zakelijk gerechtigde tot de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [A-straat] te [plaats] . De onroerende zaak is een kantoorvilla waarvan het hoofdgebouw uit 1864 en het daarbij behorende koetshuis uit 1900 dateert. De villa staat op een kavel ter grootte van 1.026 m². 2. De villa is in gedeelten verhuurd aan vijf huurders. De villa beschikt over 22 parkeerplaatsen. Bij beschikking van 31 oktober 2019 heeft verweerder voor het jaar 2017, met waardepeildatum 1 januari 2016, de waarde van de vijf onderdelen als volgt vastgesteld: Hoofdgebouw, begane grond, souterrain € 628.000 Hoofdgebouw, 1e verdieping, 2e verdieping € 456.000 Tussenstuk hoofdgebouw en koetshuis € 283.000 Koetshuis, begane grond, 2e verdieping € 265.000 Koetshuis, 1e verdieping € 126.000 + Totaal € 1.758.000” 2.2. Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof voegt hier het volgende aan toe. 2.3. Tot de gedingstukken behoren een door de heffingsambtenaar ingebracht taxatierapport en een daarbij behorende matrix met daarin onder andere marktgegevens van zes in [plaats] gelegen vergelijkingsobjecten. In het taxatierapport staat met betrekking die vergelijkingsobjecten onder andere vermeld: “In dit taxatierapport is voor de onderbouwing van de waarde gekozen om aansluiting te zoeken bij verkooptransacties van goed vergelijkbare kantoorvilla’s (…)” en staat over de bestemming van de onroerende zaak vermeld: “De bestemming van onderhavige object is: Gemengd, wonen en werken.” In de matrix staat bij elk van de vergelijkingsobjecten onder andere als opmerking vermeld: “gem.best. wonen en werken”. Daarnaast staan in de matrix onder andere de onderstaande gegevens vermeld (waarbij de laatste kolom steeds het quotiënt van de koopsom en de oppervlakte in dezelfde rij bevat). Adres Koopsom Oppervlakte in m2 €/m2/WOZ [B-straat] € 1.875.000 394 € 4.758,88 [C-straat] € 1.755.000 478 € 3.671,55 [D-straat] 5 € 1.540.099 840 € 1.833,45 [E-straat] € 1.950.000 472 € 4.131,36 [D-straat] 9 € 2.200.000 736 € 2.989,13 [D-straat] 6 € 1.645.773 580 € 2.837,54 2.4. Ter zitting van het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende onder ander verklaard: “De vergelijkingsobjecten hebben bovendien een gemengde bestemming wonen en werken. Dat geldt niet voor het gebouw van cliënt. Ik verwijs naar het taxatierapport. (…) In de vergelijkingsobjecten wordt gewoond.” en heeft de heffingsambtenaar onder andere verklaard: “De vergelijkingsobjecten zijn allemaal kantoorpanden. Dit staat in het taxatieverslag en heeft mijn taxateur ook bevestigd. Ze hebben wonen en werken als mogelijke bestemming maar zijn in gebruik als kantoor. Net zoals het onderhavige object.” 3Geschil in hoger beroep 3.1. In hoger beroep zijn in geschil de WOZ-waarden van de objecten voor het kalenderjaar 2017 met als waardepeildatum 1 januari 2016. 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal. 4Beoordeling van het geschil 4.1. De rechtbank heeft met betrekking tot het geschil het volgende overwogen: “ 6. Bij de totstandkoming van de Wet WOZ is de WOZ-waarde omschreven als "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding". De rechtbank overweegt dat verweerder aannemelijk moet maken dat hij de waarde niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Verweerder heeft daarvoor verwezen naar het door hem ingebrachte taxatierapport. Daarin is onder meer vermeld dat bij de waardering rekening is gehouden met stand, ligging en marktsituatie, alsmede met bouwaard, constructie, staat van onderhoud, bestemming en alle andere bij de taxateur bekende waardebepalende factoren. Verder is vermeld dat de waarde is bepaald volgens de huurwaardekapitalisatiemethode. Ter bepaling van de huurwaarde is het object vergeleken met huurtransacties van vergelijkbare objecten die rond de waardepeildatum zijn gerealiseerd. Aangaande de onderdelen is verder vermeld dat de bereikbaarheid goed is, stand, ligging en courantheid zeer goed zijn en er parkeermogelijkheden op het eigen terrein zijn. 7. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder met het taxatierapport en de daarin opgenomen matrix in zijn bewijs geslaagd. De door verweerder gehanteerde vergelijkingsobjecten zijn qua type, bouwaard en bouwjaar goed met het object te vergelijken. Zoals verweerder ook in de uitspraak op bezwaar heeft gesteld, zijn de vergelijkingsobjecten ook objecten met een monumentale uitstraling, waarvan de verkoopcijfers leiden tot prijzen per vierkante meter die variëren van € 1.833,45 tot € 4.758,88. Gelet op de totale WOZ-waarde van de onroerende zaak van € 1.758.000, betekent dit bij een totale oppervlakte van 1.026 m² tot een waarde van € 1.713,45 per m². Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op basis van de marktcijfers van de vergelijkingsobjecten alsmede aan de hand van de werkelijke huren van de vijf objecten, de kapitalisatiefactor van 12,5 voldoende onderbouwd. In dit verband heeft verweerder onweersproken gesteld dat, zoals dat wel bij woningen gebruikelijk is, bij de bepaling van de waarde van niet-woningen op basis van de huurwaardekapitalisatie geen gebruik wordt gemaakt van grondstaffels. Anders dan door eiseres is gesteld, en zoals bij woningen wel gebruikelijk is, was verweerder niet gehouden om grondstaffels te overleggen omdat deze niet worden gebruikt voor de waardebepaling van niet-woningen als hier aan de orde. Voorts kan de rechtbank eiseres niet volgen in haar standpunt dat verweerder bij de waardevaststelling van de onderhavige objecten op onjuiste wijze rekening heeft gehouden met de op het terrein aanwezige 22 parkeerplaatsen. Ter zitting is namens verweerder toegelicht dat voor deze insteek is gekozen omdat niet inzichtelijk is welke parkeerplaats bij welke huurder hoort. Daarom staan de parkeerplaatsen wel op de taxatieverslagen/taxatiekaarten in verband met de WOZ-administratie, maar zonder afzonderlijke waarden omdat de waarde van de parkeerplaatsen in de huurprijzen van de vijf objecten zijn verdisconteerd, aldus verweerder. Van een onjuiste objectafbakening is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Het door eiseres ter zitting overgelegde stuk waarin de parkeerplaatsen aan twee afzonderlijke objecten zijn toebedeeld, maakt dit oordeel niet anders. Onduidelijk is wat de status van dit stuk is, van wie het afkomstig is en zonder nadere onderbouwing is hieraan ook niet enig in rechte te honoreren vertrouwen te ontlenen wat betreft de objectafbakening of de waardebepaling van de objecten. 8. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de vastgestelde waarden van de vijf objecten ten opzichte van de huurwaarden en de gerealiseerde verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten niet te hoog zijn. Verweerder heeft derhalve de waarde niet te hoog vastgesteld. Verweerder is derhalve in de op hem rustende bewijslast geslaagd. 9. Hieruit volgens tevens dat wat eiseres heeft aangevoerd niet tot een ander oordeel leidt. Ook niet voor zover eiseres ter zitting nog heeft betoogd dat de gehanteerde kapitalisatiefactor te hoog is vanwege het leegstandrisico door COVID-19. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk te achten dat die omstandigheid zich op de waardepeildatum voordeed. Met die omstandigheid behoort bij de waardering per waardepeildatum dan ook geen rekening te worden gehouden. 10. Eiseres heeft een verzoek tot vergoeding van immateriële schade gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, nr.14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar (24 maanden) nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Gelet op het feit dat het bezwaarschrift op 6 november 2019 door verweerder is ontvangen, is de termijn op die datum aangevangen. Aangezien de rechtbank uitspraak doet op 4 november 2021, is een periode van minder dan 24 maanden verstreken. De redelijke termijn is dus niet overschreden en voor een schadevergoeding is dus geen grond. 11. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond. 12. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.” 4.2. Belanghebbende betoogt dat de uitspraak van de rechtbank niet in stand kan blijven. In hoger beroep heeft belanghebbende gesteld dat de objectafbakening niet correct is. Evenals in eerste aanleg stelt zij daartoe dat de toewijzing van de tot de onroerende zaak behorende parkeerplaatsen aan slechts twee van de vijf objecten onjuist is. Belanghebbende acht daarnaast de door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten onbruikbaar. Eerst ter zitting van het Hof stelt zij daartoe dat de onroerende zaak slechts ‘werken’ als bestemming heeft, terwijl de vergelijkingsobjecten een gemengde bestemming kennen en als woning dienen. Voorts heeft belanghebbende betoogd dat door de heffingsambtenaar een te hoge, niet voldoende onderbouwde kapitalisatiefactor is gebruikt. Belanghebbende wijst op het leegstandsrisico dat volgens haar vanwege COVID-19 is vergroot en waarmee bij het bepalen van de kapitalisatiefactor onvoldoende rekening is gehouden. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende haar grieven met betrekking tot de grondstaffels en de immateriële schadevergoeding ingetrokken. 4.3. De heffingsambtenaar acht het hoger beroep ongegrond en heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitspraak van de rechtbank bevestigd dient te worden. 4.4. Het Hof is van oordeel dat het in de eerste twee volzinnen van onderdeel 6 van de uitspraak van de rechtbank weergegeven juridische toetsingskader juist is. Van dat toetsingskader zal ook het Hof uitgaan. Het Hof stelt daarbij voorop dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.