afdeling strafrecht parketnummer: 23-001351-20 datum uitspraak: 22 februari 2023 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 juni 2020 in de strafzaak onder parketnummer 13-012080-20 tegen [verdachte01] , geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1982, adres: [adres01] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 december 2021 en 8 februari 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf -in zoverre zal het vonnis worden vernietigd- en met dien verstande dat het hof de bewijsoverweging van de politierechter zal vervangen, evenals de bewijsmiddelen zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Vervangende bewijsoverweging Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat vrijspraak moet volgen, nu niet is voldaan aan het bewijsminimum. De verklaring van de aangeefster vindt immers geen steun in andere bewijsmiddelen op essentiële onderdelen. De getuige [getuige01] heeft enkel verklaard wat zij van anderen heeft gehoord en zij heeft zelf niets waargenomen. Oordeel van het hof Wettelijk kader bewijsminimum en steunbewijs Volgens het tweede lid van artikel 342 Sv – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval (vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515). Niet is vereist dat het bedoelde steunbewijs betrekking dient te hebben op de tenlastegelegde gedragingen (vgl. HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717, NJ 2018/298). Verklaring van de aangeefster De aangeefster heeft verklaard dat zij in de nacht van 2 op 3 maart 2019 bij haar vriendin [getuige01] is blijven slapen na een feestje. Samen met die vriendin en haar vriend (de verdachte) sliep zij in één bed, waarbij haar vriendin in het midden lag. Op het moment dat haar vriendin haar tanden ging poetsen lag aangeefster alleen met de verdachte in bed. De verdachte is vervolgens achter de aangeefster gaan liggen en de aangeefster voelde de stijve penis van de verdachte in haar rug, waarna de aangeefster duidelijk maakte dat zij daar niet van gediend was. Nadat de vriendin van de aangeefster terug in het bed kwam en weer in het midden lag, raakte de verdachte met zijn hand de aangeefster over haar vriendin aan bij haar borsten en haar billen. De verdachte heeft meerdere malen gevraagd of hij in het midden mocht liggen, waarop de aangeefster en haar vriendin zeiden dat zij dat niet wilden. De aangeefster viel weer in slaap, maar na een tijdje werd zij wakker van de verdachte die weer aan haar billen zat terwijl hij nu in het midden van het bed tussen de aangeefster en haar vriendin lag. Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, vindt de verklaring van de aangeefster naar het oordeel van het hof wel voldoende steun in ander bewijsmateriaal, namelijk in de verklaringen van de getuigen [getuige01] en [getuige02] . Verklaring getuige [getuige01] De getuige [getuige01] heeft zowel bij de politie als de raadsheer-commissaris verklaard dat de verdachte over haar heen de aangeefster meerdere keren aanraakte en dat de verdachte bleef vragen of hij in het midden van het bed mocht liggen. Uiteindelijk heeft de verdachte – zo verklaart de getuige [getuige01] – haar opzij gelegd en is hij in het midden van het bed gaan liggen. Daarnaast heeft de getuige [getuige01] gehoord dat de verdachte zijn excuses heeft aangeboden aan de aangeefster in de nacht van 2 op 3 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.