afdeling strafrecht parketnummer: 23-000259-22 datum uitspraak: 12 januari 2023 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 februari 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-045394-21 tegen [verdachte01] , geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1997, adres: [adres01] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 december 2022 en 12 januari 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de (advocaat van de) benadeelde partij naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve – met verbetering van gronden – bevestigen behalve ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, in zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Het hof verbetert het vonnis als volgt. De eerste zin van pagina 3 van het vonnis (bewijsmiddel 3) wordt vervangen door de volgende zin: In de aandachtsvestiging (die naar het hof - blijkens de inhoud van het proces-verbaal van herkenning - begrijpt is gebaseerd op de foto die bij het proces-verbaal is gevoegd en welke foto afkomstig is van de getuige [getuige01] ) herkende ik [verdachte01] omdat hij dezelfde helm droeg als in juli 2020 en omdat zijn gezicht goed te zien is door deze “jethelm”. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij01] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.836,19, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,00 voor de immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De vordering bestond uit de volgende posten: Verlies van arbeidsvermogen : € 962,19 Bekeuring : € 249,00 Immateriële schade : € 625,00 De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van het materiële gedeelte kan worden toegewezen tot een bedrag van € 962,19 (verlies van arbeidsvermogen) en immaterieel tot een bedrag van € 500,-, verhoogd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De post “bekeuring” is geen rechtstreekse schade, zodat de benadeelde partij ten aanzien van de post niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aldus de advocaat-generaal. De raadsman van de verdachte heeft inhoudelijk verzocht de vordering ten aanzien van de post “boete” af te wijzen nu er geen (rechtstreeks) causaal verband is tussen de ten laste gelegde mishandeling, bedreiging en de schade. Voorts heeft de raadsman de hoogte van de gestelde schade ten aanzien van de post “verlies van arbeidsvermogen” van de benadeelde partij op een aantal onderdelen betwist. Voorts heeft de raadsman ten aanzien van de gevorderde immateriële schade verzocht de vordering af te wijzen, omdat de gestelde lichamelijke en psychische klachten onvoldoende zijn onderbouwd. Het hof overweegt als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 subsidiair en feit 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Met betrekking tot de immateriële schade overweegt het hof als volgt. Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek brengt, voor zover voor de beoordeling van belang, mee dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Uit de stukken van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezen verklaarde mishandeling letsel aan zijn knie heeft opgelopen. Gelet op de onderbouwing van de vordering met betrekking tot daaruit voortgevloeide immateriële schade en de verwijzing naar vergelijkbare gevallen stelt het hof de door de benadeelde partij geleden immateriële schade op voet van artikel 6:106 BW naar billijkheid vast op een bedrag van € 500,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.