afdeling strafrecht parketnummer: 23-000840-22 datum uitspraak: 17 februari 2023 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 maart 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-141678-21 tegen [verdachte01] , geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1997, adres: [adres01] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 februari 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde straf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de gronden aanvult en de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen zal uitwerken indien cassatie wordt ingesteld. Aanvullende bewijsoverweging De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de herkenningen van de verbalisanten een bewezenverklaring niet kunnen dragen. Het hof kan zich vinden in wat de politierechter heeft overwogen, neemt dit over en voegt daar het volgende aan toe. Het hof heeft ter terechtzitting vastgesteld dat de stills in het dossier voldoende duidelijk en helder zijn om een gezichtsherkenning op te kunnen baseren. Het hof heeft voorts waargenomen dat een vergelijking van de stills in het dossier met de foto van de verdachte niet tot de conclusie leidt dat de persoon op de stills niet de verdachte zou kunnen zijn. Vergelijking van de foto met de stills vormt derhalve geen aanleiding om te twijfelen aan de herkenningen van de verdachte. Bezien in samenhang met de omstandigheid dat in ieder geval twee van de drie herkenningen hebben plaatsgevonden naar aanleiding van bewegende beelden, door opsporingsambtenaren die kort daarvoor nog in contact waren geweest met de verdachte, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte is geweest die zich, samen met anderen, aan de ten laste gelegde diefstal met verbreking van een motorfiets heeft schuldig gemaakt. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en taakstraf voor de duur van 100 uren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft samen met drie anderen een motor gestolen. De verdachte en zijn mededaders hebben deze motor onder hun bereik gebracht door twee sloten door te slijpen en het stuurslot te verbreken. Door aldus te handelen hebben de verdachte en zijn mededaders een grove inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de gedupeerde en deze schade en overlast bezorgd. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 25 januari 2023 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld ter zake van (soortgelijke) misdrijven. Dit weegt in zijn nadeel. Het hof heeft acht geslagen op de straffen die bij soortgelijke delicten doorgaans plegen te worden opgelegd, welke straffen hun weerslag hebben gevonden in de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze oriëntatiepunten nemen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden als vertrekpunt voor diefstal van een motorfiets in geval van recidive. Het hof is van oordeel dat gelet op deze oriëntatiepunten, de recidive en de ernst van het feit, niet kan worden volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf. Het hof acht, mede gelet op de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op artikel 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken . Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. V.M.A. Sinnige, mr. E. van Die en mr. P.F.E. Geerlings, in tegenwoordigheid van mr. D. Damman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 februari 2023. Mr. P.F.E. Geerlings is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.