afdeling strafrecht parketnummer: 23-000828-21 datum uitspraak: 14 maart 2023 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 30 maart 2021 in de strafzaak onder parketnummer 13-135918-20 tegen [verdachte01] , geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1974, adres: [adres01] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 februari 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij, op of omstreeks 19 mei 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, - van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 39.650 euro, in ieder geval een hoeveelheid geld, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten een geldbedrag van 39.650 euro, in ieder geval een hoeveelheid geld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp, te weten een geldbedrag van 39.650 euro, in ieder geval een hoeveelheid geld, voorhanden heeft gehad en/of - een voorwerp, te weten een geldbedrag van 39.650 euro, in ieder geval een hoeveelheid geld, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten een geldbedrag 39.650 euro, in ieder geval een hoeveelheid geld, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf en/of enig eigen misdrijf. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter. Verweer ten aanzien van een vormverzuim in het opsporingsonderzoek De raadsvrouw heeft zich, onder verwijzing naar haar pleitnota in eerste aanleg (pagina’s 2 onder – 5), op het standpunt gesteld dat een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek heeft plaatsgevonden. De doorzoeking van de auto van de verdachte was onrechtmatig. Er was op dat moment geen redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van een strafbaar feit en de verdachte stelt zich op het standpunt dat, anders dan in de processen-verbaal is vermeld, hij geen toestemming voor de doorzoeking heeft gegeven. De verbalisanten konden bij hun verhoren door de rechter-commissaris allen geen eenduidige verklaring geven omtrent de wijze waarop de verdachte de toestemming zou hebben gegeven. Als gevolg van dit vormverzuim dienen de resultaten van de doorzoeking, waaronder het aantreffen van de doos met geld, te worden uitgesloten van het bewijs. Het hof is in navolging van de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een vormverzuim, nu de verdachte uitdrukkelijk toestemming voor de doorzoeking van zijn auto heeft gegeven. De verbalisanten hebben dit gerelateerd in de processen-verbaal en hebben bij de rechter-commissaris herhaald dat de verdachte toestemming had gegeven. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal en van de verklaringen van de verbalisanten. Het verweer wordt verworpen. Vrijspraak De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor het tijdens de doorzoeking aangetroffen geldbedrag. De verdachte voorziet in zijn levensonderhoud door de winsten die hij behaalt met poker. Daartoe heeft de verdachte meerdere stukken overgelegd, waaruit blijkt dat hij hiermee aanzienlijke bedragen heeft gewonnen. Het openbaar ministerie heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar deze verklaring en volgens vaste jurisprudentie dient bij die stand vrijspraak te volgen. De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, te weten witwassen. Weliswaar heeft de verdachte een deels verifieerbare verklaring gegeven omtrent zijn inkomsten uit poker maar de verdachte heeft geen afdoende verklaring gegeven voor de herkomst van het specifieke geldbedrag dat is aangetroffen tijdens de doorzoeking, en dat “op een wel heel bijzondere manier” was verpakt. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd. Het hof stelt voorop dat indien bij een verdenking ter zake van witwassen het niet mogelijk blijkt een concreet brondelict aan te wijzen, zoals in deze zaak het geval is, witwassen desalniettemin kan worden bewezen, indien het op grond van feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat de betreffende voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie bewijs aan te dragen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen blijken. Indien het openbaar ministerie zich van die taak heeft gekweten en aldus een vermoeden van witwassen is gerezen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de ten laste gelegde voorwerpen. Om het vermoeden van witwassen te kunnen weerspreken, dient een dergelijke verklaring concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Als het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld. Uit de resultaten van dat onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geldbedrag waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Witwasvermoeden Bij de doorzoeking van de auto van de verdachte op 19 mei 2020 is in een in roze cadeaupapier verpakte kartonnen doos een geldbedrag aangetroffen van € 39.650,00, bestaande uit 3 biljetten van € 200,00, 52 biljetten van €100,00, 264 biljetten van € 50,00, 1.032 biljetten van € 20,00 en 1 biljet van € 10,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.