GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.314.187/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/701021 / HA ZA 21-392 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 maart 2023 inzake [appellant] , in zijn hoedanigheid van erfgenaam van [naam 1] , wonende te [woonplaats] , [land] , appellant in de hoofdzaak, eiser in het incident, advocaat: mr. R.M.T. van den Bosch te Rotterdam, tegen de gezamenlijke erfgenamen van wijlen [geïntimeerde] , woonplaats kiezende ten kantore van mr. H.J. Bos te [plaats] , geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerder in het incident, advocaten: mr. H.J. Bos en mr. D.H.S. Hulsewé te De Woude. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd. [appellant] is bij dagvaarding van 22 juli 2022, met producties, in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2022 onder bovenstaand zaak-/rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie, en wijlen [naam 1] en [naam 2] (hierna tezamen: [appellant] c.s.) als gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie (hierna: het bestreden vonnis). [appellant] heeft een incidentele vordering ingesteld tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis ex artikel 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), totdat in de appelprocedure einduitspraak is gewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incident. Bij conclusie van antwoord in het incident heeft [geïntimeerde] verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring, althans afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het incident, met nakosten. 2Beoordeling 2.1. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank, voor zover in het incident van belang, [appellant] c.s. hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 3.858.411,-- te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 5 februari 1999 tot aan de dag van de volledige betaling, € 23.942,80, € 24.010,71 en € 220.777,28, met veroordeling van [appellant] c.s. in de kosten van de procedure. De veroordelingen zijn zonder nadere motivering uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 2.2. Ter toelichting op zijn incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging heeft [appellant] gesteld dat het bestreden vonnis op kennelijke (juridische) misslagen berust. Verder heeft [appellant] gesteld dat hij een zwaarwegend belang heeft bij handhaving van de status quo. Indien [geïntimeerde] tot tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis zou overgaan, zou dat een financiële noodtoestand aan de zijde van [appellant] doen ontstaan en is er geen enkele garantie dat het geëxecuteerde bedrag nog teruggehaald kan worden bij (de erven van) [geïntimeerde] , aldus [appellant] . 2.3. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan. 2.4. Bij de beoordeling van de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, waarin over de uitvoerbaarheid bij voorraad ongemotiveerd is beslist, stelt het hof het volgende voorop (vgl. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij de toepassing van deze maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.