GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.287.340/01 zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam: 8110960 / CV EXPL 19-21322 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 april 2023 inzake 1 [appellant 1] en 2. [appellante 2] , beiden wonend te [woonplaats] , appellanten, advocaat: mr. F.A.J.H. de Lugt te Amsterdam, tegen ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V., gevestigd te Apeldoorn, geïntimeerde, advocaat: mr. R.H.J. Wildenburg te Arnhem. Partijen worden hierna [appellanten] - afzonderlijk [appellant 1] en [appellante 2] - en Achmea genoemd. 1De zaak in het kort [appellanten] stellen dat zij tijdens een rondreis in Marokko schade hebben geleden door het verlies van bagage als gevolg van een brand in hun auto. Zowel rechtbank als hof komen tot het oordeel dat [appellanten] onjuiste en ongeloofwaardige verklaringen hebben afgelegd over de toedracht van het brandincident en het verlies van hun bagage. De vorderingen van [appellanten] worden daarom afgewezen. Hun registratie in de diverse (fraude)registers door de betrokken verzekeraar was niet onrechtmatig. 2Het geding in hoger beroep [appellanten] zijn bij dagvaarding van 14 december 2020 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 18 september 2020, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellanten] als eisers en Achmea als gedaagde. Op 23 april 2021 heeft op grond van een tussenarrest van 19 januari 2021 een mondelinge behandeling na aanbrengen plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven; - memorie van antwoord. In deze zaak heeft op 26 september 2022 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben de zaak bij gelegenheid daarvan doen bepleiten door hun voornoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - het bestreden vonnis zal vernietigen en de door hen in eerste aanleg ingestelde vorderingen (gewijzigd bij akte van 7 april 2020) alsnog zal toewijzen met veroordeling van Achmea in de proceskosten in beide instanties. Achmea heeft geconcludeerd - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - tot afwijzing van het hoger beroep en bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten, inclusief nakosten. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs aangeboden. 3Feiten Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende. 3.1. [appellanten] hebben bij Achmea een doorlopende reisverzekering, inclusief de ‘Bagage op reis’-polis afgesloten. 3.2. In de op deze verzekering toepasselijke algemene voorwaarden staat, voor zover van belang, vermeld: “ Wanneer mogen wij een verzekering stoppen zonder opzegtermijn? (…) U of een verzekerde pleegt fraude. Wij mogen alle verzekeringen stoppen die op het polisblad staan. U moet uitkeringen en kosten terugbetalen. U krijgt geen premie terug. Wij mogen de fraude doorgeven aan de politie. Wij mogen de fraude registreren. - Alle verzekeraars in Nederland kunnen dit zien. Bij Begrippen ziet u wat wij onder fraude verstaan. (…) 7Wanneer is schade niet verzekerd? (…) U of een verzekerde pleegt fraude. (…) Begrippen (…) Fraude U of een verzekerde vertelt niet de waarheid of vertelt niet alles: - […] om een vergoeding van ons te krijgen. (…)” 3.3. [appellanten] hebben met hun drie minderjarige kinderen - het eerste deel daarvan samen met mevrouw [naam 1] , de moeder van [appellante 2] - in de zomer van 2017 met de auto een rondreis door Marokko gemaakt. Op 27 augustus is daarbij in de auto rookvorming ontstaan terwijl zich in de auto van [appellanten] twee kinderen bevonden. Deze kinderen zijn met hulp van omstanders ongedeerd uit de auto gekomen. [appellanten] zijn ter plekke bijgestaan door de plaatselijke brandweer en alarmcentrale Eurocross. 3.4. Op dezelfde dag hebben [appellanten] bij Achmea een schademelding gedaan. Namens Achmea heeft daarop schade-expert de heer [naam 2] (Hierna: [naam 2] ) op 12 januari 2018 [appellanten] thuis bezocht, waarvan [naam 2] een ‘expertiserapport brand’ heeft opgesteld. In dit rapport wordt vermeld dat [appellant 1] en/of [appellante 2] tegenover [naam 2] onder meer het volgende hebben verklaard: “Op een gegeven moment, na enkele minuten, zag men veel rook in de auto. (…) De apparatuur lag in het dashboardkastje en op/onder de bijrijdersstoel. De tassen lagen op de achterbank waar de kids zaten. De auto is niet meer naar Nederland gekomen maar is ter plaatse afgevoerd. Een bewijs hiervan is reeds in bezit van de verzekeraar. Wij hebben geen foto’s of filmpjes van de brandende auto.” 3.5. [appellanten] claimen dat bij het ongeval onder meer kleding van hen en hun kinderen, audiovisuele apparatuur en reistassen verloren zijn gegaan. [naam 2] heeft de dientengevolge door hen geleden schade in samenspraak met [appellanten] vastgesteld op een bedrag van € 8.258,85. Daarbij is geen rekening gehouden met eventuele maximeringen en/of eigen risico’s op de polis. 3.6. [appellante 2] heeft op 19 februari 2018 per e-mail haar akkoord gegeven op de inhoud van het schaderapport van [naam 2] . 3.7. Achmea heeft op enig moment - daarna - van Eurocross videobeelden van de rokende auto ontvangen. Deze beelden hadden [appellanten] zelf eerder aan de alarmcentrale gezonden. 3.8. Achmea heeft [appellanten] bij brief van 5 maart 2018 bericht dat zij de schade niet zal vergoeden, de reisverzekering per direct stopzet en de personalia van [appellanten] opneemt in het incidentenregister voor de duur van drie jaar. Ook heeft Achmea het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit over de kwestie geïnformeerd. 4Beoordeling Het oordeel in eerste aanleg en de daartegen gerichte grieven 4.1. [appellanten] vorderen in dit geschil - samengevat - dat voor recht zal worden verklaard dat Achmea dekking onder de reisverzekering dient te verlenen en de schade van [appellanten] tot een bedrag van maximaal € 3.000,00 te vergoeden, alsmede voor recht te verklaren dat Achmea onrechtmatig heeft gehandeld door de gegevens van [appellanten] op te (laten) nemen in de diverse genoemde registers en haar te veroordelen deze registraties te verwijderen, althans te herroepen. 4.2. Bij vonnis van 18 september 2020 heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellanten] afgewezen, omdat [appellanten] onjuiste opgaven aan Achmea hebben gedaan over het voorval op 27 augustus 2017 en daarmee fraude heeft gepleegd als bedoeld in de algemene voorwaarden en de in artikel 7:941 lid 2 BW geformuleerde informatieplicht heeft geschonden. Bij gebreke van een plausibele verklaring daarvoor moet het ervoor worden gehouden dat zij dit opzettelijk hebben gedaan en dat het recht op uitkering onder de polis daarmee is vervallen. Tegen deze beslissingen komen [appellanten] in hoger beroep met zeven grieven op. 4.3. [appellanten] voeren in hun grieven - in de kern genomen - aan dat de kantonrechter van onjuiste feiten is uitgegaan (grieven I en II) en dat geen sprake is geweest van het verstrekken van onjuiste informatie en ook niet van opzet daarop (twee grieven met nummer III). Grief IV richt zich tegen het oordeel over de opname van de persoonsgegevens in de diverse registers en de laatste grieven (V en VI) - die geen zelfstandige betekenis hebben - tegen de afwijzing van de vorderingen van [appellanten] en de proceskostenveroordeling. Het hof oordeelt als volgt: 4.4. Met de eerste twee grieven van [appellanten] heeft het hof bij de vaststelling van de feiten zoals hierboven weergegeven reeds rekening gehouden. 4.5. Grief III, dat wil zeggen de eerste grief III die betrekking heeft op het oordeel van de kantonrechter dat de diverse verklaringen van [appellanten] - in onderlinge samenhang beschouwd - onvoldoende geloofwaardig zijn, slaagt niet. Als vaststaand kan (inmiddels) worden aangenomen dat de bagage waarvan [appellanten] stellen dat deze verloren is gegaan, zich niet bevond op de plaats waar deze volgens de eerste, gedetailleerde verklaring van [appellante 2] zou hebben gelegen (het bijrijdersgedeelte en de achterbank), en met welke verklaring [appellante 2] zich ook later nog eens akkoord heeft verklaard. Tevens staat vast dat [appellant 1] en/of [appellante 2] ten onrechte hebben verklaard dat er geen foto-/filmmateriaal van de brand bestond en dat zij aanvankelijk niets hebben verklaard over de aanwezigheid van mevrouw [naam 1] . De later betrokken stellingen dat de bagage, zonder dat [appellante 2] dat wist, door [appellant 1] naar de kofferbak zou zijn verplaatst, dat de auto total loss was en de bagage daarom niet uit de auto kon of mocht worden gehaald komen ook het hof - gelet op hetgeen waarneembaar is op foto’s (onderdeel van productie 6 bij de dagvaarding) en de videobeelden - niet geloofwaardig voor: daargelaten dat de kofferbak op deze beelden gesloten is - en er dus niets valt vast te stellen over de staat van de daarin beweerdelijk aanwezige bagage - en de kofferbak ook intact voorkomt, lijkt de situatie in ieder geval op deze beelden volledig onder controle en valt niet in te zien waarom de bagage die zich daarin zou hebben bevonden, niet had kunnen worden geïnspecteerd en meegenomen. De verklaringen van [appellanten] zijn ook niet nader onderbouwd, waarbij klemt dat verklaringen van (bijvoorbeeld) de brandweer of van degene(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.