afdeling strafrecht parketnummer: 23-000719-22 datum uitspraak: 17 april 2023 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Den Haag, zitting houdende te Amsterdam, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 5 november 2020 in de strafzaak onder parketnummer 10-162397-20 tegen [verdachte01] , geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1990, adres: [adres01] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 april 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij, op of omstreeks 7 maart 2020 te Gorinchem, [slachtoffer01] heeft mishandeld door tegen het (linker)oog, althans tegen het lichaam, te slaan/stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten blijvend verlies van het linker oog en/of een gescheurde oogbolwand ten gevolge heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Bewijsoverweging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat hij niet opzettelijk – ook niet in voorwaardelijke zin – heeft gehandeld. Tijdens een woordenwisseling in de auto had de aangever een zeer heftige, niet alleen verbale woede-uitbarsting, waarbij hij met zijn hand tegen het dak sloeg en zich omdraaide in zijn stoel richting de verdachte die achterin zat. Dit veroorzaakte een schrikreactie bij de verdachte, waarbij hij in een reflex zijn hand heeft uitgestoken en daarmee de aangever heeft geraakt, met alle ernstige gevolgen van dien. Het was nooit de bedoeling van de verdachte om de aangever te slaan of pijn of letsel toe te brengen. Het hof overweegt als volgt. Op 7 maart 2020 zaten de aangever, de verdachte en de halfbroer van de verdachte, genaamd [naam01] , samen in een auto. [naam01] bestuurde de auto, de aangever zat naast hem op de bijrijdersstoel en de verdachte zat achterin. Op een gegeven moment kregen de verdachte en de aangever ruzie. De aangever heeft verklaard dat hij zag en voelde dat hij vervolgens een harde klap tegen zijn linkeroog kreeg van de verdachte. De aangever is hierna met spoed geopereerd. Tijdens de operatie is het linkeroog van de aangever verwijderd. Het hof acht de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, inhoudende dat hij in een reflex zijn hand heeft uitgestoken en de aangever vervolgens per ongeluk heeft geraakt, niet geloofwaardig. Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangever. Bovendien vindt deze verklaring steun in de verklaringen die de verdachte heeft afgelegd bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg. Tijdens het politieverhoor heeft de verdachte immers verklaard dat hij de aangever een klap in het gezicht heeft gegeven om hem op afstand te houden toen hij zich tijdens de ruzie omdraaide. Tijdens de terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij van zich af heeft geslagen. Naar het oordeel van het hof blijkt uit deze verklaringen dat de verdachte welbewust in het gezicht van de aangever heeft geslagen, waardoor sprake is geweest van op zijn minst genomen het voorwaardelijk opzet dat hij de aangever pijn en/of letsel zou toebrengen. Ten gevolge van de klap die de verdachte in het gezicht van de aangever heeft gegeven is de aangever zijn linkeroog verloren, hetgeen te kwalificeren is als zwaar lichamelijk letsel. Het kan dan ook niet anders dan dat de verdachte bij het slaan het linkeroog van de aangever heeft geraakt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 7 maart 2020 te Gorinchem [slachtoffer01] heeft mishandeld door tegen het linkeroog te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten blijvend verlies van het linker oog ten gevolge heeft gehad. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 weken, met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij zijn bijzondere voorwaarden gesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 weken, met een proeftijd van 2 jaren. Zij heeft voorts gevorderd dat als bijzondere voorwaarden het opvolgen van aanwijzingen van de reclassering en een behandelverplichting bij Antes worden gesteld. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn neef, door hem tijdens een ruzie één keer in het gezicht te slaan. De aangever heeft hierdoor zeer ernstig letsel opgelopen. Hij is zijn linkeroog verloren en moet de rest van zijn leven een oogprothese dragen. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 maart 2023 is hij eerder voor een geweldsdelict onherroepelijk veroordeeld. Dit weegt het hof in het nadeel van de verdachte. Anderzijds weegt het hof mee dat is gebleken dat het nooit de bedoeling van de verdachte is geweest om de aangever blijvend letsel toe te brengen en dat de verdachte zelf ook negatieve gevolgen heeft ondervonden van het feit. De verdachte en de aangever zijn elkaars neven en zij waren tot het incident beste vrienden. Het onderhavige incident heeft grote gevolgen gehad voor de vriendschap en de relaties binnen de familie. Gelet op het voorgaande acht het hof een taakstraf passend en geboden. Het hof zal een deel van die straf voorwaardelijk opleggen teneinde de verdachte ervan te weerhouden opnieuw een strafbaar feit te begaan. Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding om de verdachte daarnaast nog een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Ook zal het hof geen bijzondere voorwaarden stellen bij de voorwaardelijke straf, aangezien de verdachte reeds enige tijd op vrijwillige basis ondersteuning krijgt en onder behandeling staat van Antes voor een aandoening die niet in verband staat met onderhavig feit, zodat het niet nodig is om een begeleidings- en behandelverplichting op te leggen. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 80 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Het hof constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in hoger beroep met bijna 5 maanden is overschreden. Het hof verbindt, gelet op de aard en hoogte van de straf, geen gevolgen aan deze overschrijding. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij01] De benadeelde partij [benadeelde partij01] (zijnde dezelfde persoon als de aangever/het slachtoffer [slachtoffer01] ) heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 66.550,09, bestaand uit € 6.550,09 materiële en € 60.000,00 immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 31.849,32, waarvan € 1.849,32 aan materiële en € 30.000,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep aanvankelijk opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, maar heeft de vordering tot vergoeding van de begeleidingskosten later verlaagd, zoals hieronder weergegeven. De vordering bestaat uit de volgende materiële schadeposten: reiskosten, € 2.310,64; verblijf in ziekenhuis, € 60,00; begeleidingskosten, € 4.031,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.