GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1 zaaknummer : 200.322.061/01 zaak-/rekestnummer rechtbank : C/13/720872/KG RK 22-1103 beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 april 2024 inzake KTZ LLC, gevestigd te Moskou, Russische Federatie, verzoekster, advocaat: mr. P.C. Rijken te Den Haag, tegen BRENDORA LIMITED, gevestigd te Nicosia, Cyprus, verweerster, advocaat: mr. D. Korzec te Den Haag, en MACHINERY & INDUSTRIAL GROUP N.V., gevestigd te Amsterdam, belanghebbende, niet verschenen. Partijen worden hierna KTZ, Brendora en Machinery & Industrial Group genoemd. 1De zaak in het kort KTZ wil als pandhouder overgaan tot verkoop van de aan haar verpande aandelen in Machinery & Industrial Group. Zij verzoekt in deze procedure om de aandelen onderhands te te mogen verkopen aan zichzelf, voor de prijs van € 1,-. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek afgewezen bij gebrek aan een gerechtvaardigd belang. Ook is overwogen dat niet is uit te sluiten dat KTZ banden heeft met de Russische Vnesheconombank, die op de EU sanctielijst is geplaatst, en dat gewaakt moet worden tegen een mogelijke schending van de EU sanctieverordening. Het hof verwerpt het hoger beroep, omdat niet is voldaan aan de vereisten voor het instellen van hoger beroep. Het hof overweegt ook dat, als wel aan die vereisten zou zijn voldaan, ook het hof het verzoek zou hebben afgewezen. 2Het procesverloop in hoger beroep KTZ is bij beroepschrift met als bijlage het inleidend verzoekschrift met producties 1 tot en met 11, ontvangen op 1 maart 2023, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam op 2 november 2022 onder bovenvermeld zaak-/rekestnummer heeft gegeven. Het beroepschrift strekt ertoe, zakelijk weergegeven, dat het hof de genoemde beschikking zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog zal bepalen dat de aandelen in Machinery & Industrial Group door KTZ onderhands mogen worden verkocht aan KTZ zelf dan wel aan een derde, voor een bedrag van € 1,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, met veroordeling van Brendora in de kosten van beide instanties. Op 27 maart 2023 is een verweerschrift in hoger beroep ontvangen van Brendora, waarin Brendora zich refereert aan het oordeel van het hof. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 6 maart 2024. Bij die gelegenheid hebben de hiervoor genoemde advocaten van KTZ en Brendora namens hun cliënten het woord gevoerd en vragen van het hof beantwoord. Machinery & Industrial Group is als belanghebbende in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen en opgeroepen voor de mondelinge behandeling. Zij is niet verschenen. De uitspraak is bepaald op heden. 3Feiten De rechtbank heeft in de bestreden beschikking onder 2 een aantal feiten weergegeven. Daarover bestaat geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Die feiten zijn de volgende. 3.1 Op 2 november 2010 heeft de Russische bank State Corporation “Bank for Development and Foreign Economic Affairs (Vnesheconombank)” (thans genaamd: State Development Corporation VEB.RF, hierna verder: Vnesheconombank) een kredietfaciliteit met een limiet van RUB 15.000.000.000 – thans gelijk aan rond de 175 miljoen Euro – verstrekt aan de Russische vennootschap LLC “Corporate Management Company” Concern “Tractor Plants” (hierna: de debiteur). 3.2 Brendora is een van de groepsvennootschappen van de debiteur en enig aandeelhouder van Machinery & Industrial Group. 3.3 Op 7 april 2016 hebben Vnesheconombank en Brendora een overeenkomst gesloten (“Deed of sale and transfer and pledge of shares”), waarbij Brendora tot zekerheid van nakoming van de verplichtingen door de debiteur, haar aandelen in Machinery & Industrial Group aan Vnesheconombank heeft verpand. 3.4 In augustus 2017 heeft Vnesheconombank de debiteur meegedeeld dat zij de verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen en dat de openstaande schuld daarom direct opeisbaar is. 3.5 De debiteur is in november 2017 in staat van faillissement verklaard. 3.6 Op 12 oktober 2018 heeft KTZ een overeenkomst met Vnesheconombank gesloten, op grond waarvan zij de vorderingsrechten van Vnesheconombank op de debiteur heeft overgenomen. 3.7 Bij uitspraak van het Moskouse Arbitrage Gerecht van 14 november 2018 is de schuld van de debiteur aan Vnesheconombank onder de leningsovereenkomst bepaald op RUB 26.400.029.082,77 (RUB 15.000.000.000 vermeerderd met rente). In een latere uitspraak is Vnesheconombank formeel vervangen door KTZ. 3.8 Op 13 juni 2019 hebben Vnesheconombank, KTZ en Brendora een overeenkomst gesloten (de “Security transfer agreement”), waarbij de rechtsverhouding tussen Vnesheconombank en Brendora is overgedragen aan KTZ. 3.9 Volgens een rapport van 31 maart 2022 van Althaus Consulting LLC, een Russisch accountants- en adviesbureau, hebben de aandelen in Machinery & Industrial Group geen of nauwelijks waarde. 4De procedure bij de voorzieningenrechter 4.1 KTZ heeft de voorzieningenrechter verzocht om de aandelen in Machinery & Industrial Group onderhands te mogen verkopen aan zichzelf, dan wel aan een derde, voor een bedrag van € 1,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag. 4.2 De voorzieningenrechter heeft het verzoek afgewezen en daartoe overwogen: “4.1. KTZ is door middel van cessie pandhouder geworden op de aandelen waar dit verzoekschrift op ziet. De aanvankelijke pandhouder was Vnesheconombank, die tot 2018 zo heette. Naar ambtshalve bekend staat een Russische bank met die naam inmiddels op de sanctielijst ingevolge de EU Verordening 833/2014. Dat is dan kennelijk vóór de naamsverandering gebeurd. 4.2. Volgens KTZ zijn de te verkopen aandelen zo goed als waardeloos, aangezien in Machinery & Industrial Group geen enkele activiteit meer wordt ontplooid. Er zijn geen werknemers en er is geen fabriek. Gevraagd wat dan het belang is van de overdracht, heeft KTZ meegedeeld dat zij graag de controle houdt over de afwikkeling van de te liquideren vennootschap. In het verzoekschrift is het belang van KTZ bij de overdracht van de aandelen als volgt omschreven: “[dat zij] na onderhandse verkrijging van deze Aandelen deze onderdeel kan maken van verdere uitwinning van de overige vermogensbestanddelen van de Debiteur, wat de kans op een succesvolle uitwinning aanzienlijk zal vergroten.” Nu de debiteur in staat van faillissement verkeert, is niet duidelijk wat daarmee wordt bedoeld en een nadere toelichting is niet gegeven. 4.3. Het komt erop neer dat KTZ aandelen in een Nederlandse rechtspersoon wil verkrijgen die geen enkele waarde zouden vertegenwoordigen, met als enig doel om die rechtspersoon op correcte wijze administratief ‘af te wikkelen’, terwijl dat financieel of anderszins niets zou opleveren, integendeel, slechts kosten met zich brengt. Dit terwijl de vordering van (de rechtsvoorgangster van) KTZ in de honderden miljoenen liep. Een wonderlijk verhaal, dat slechts vragen oproept over het werkelijke belang. 4.4. Het valt kortom niet vast te stellen of KTZ bij de overdracht van de aandelen een gerechtvaardigd belang heeft, terwijl de gevolgen van een dergelijke overdracht, mede in het licht van het huidige sanctiebeleid, moeilijk te overzien zijn. Daar komt bij dat banden tussen KTZ en de op de sanctielijst geplaatste Vnesheconombank niet uit te sluiten zijn en gewaakt moet worden tegen een mogelijke schending van de EU sanctieverordening. 4.5. Ofschoon Brendora zich niet tegen toewijzing heeft verzet, leidt het voorgaande tot afwijzing van het verzoek. Er is geen aanleiding voor een kostenveroordeling.” 5De beoordeling in hoger beroep Kern van de zaak 5.1 Het gaat in deze zaak om een verzoek van KTZ als pandhouder van aandelen. KTZ verzoekt om een afwijkende wijze van verkoop op de voet van artikel 3:251 lid 1 BW. Zij wil daarmee bewerkstelligen dat de verpande aandelen aan haar zullen verblijven (door verkoop aan zichzelf) voor de prijs van € 1,-. De voorzieningenrechter heeft het verzoek afgewezen. KTZ is het niet eens met de beschikking van de voorzieningenrechter en verzoekt het hof om die beschikking te vernietigen en haar verzoek alsnog toe te wijzen. Het hof zal hierna allereerst beoordelen of KTZ ontvankelijk is in het hoger beroep. Ontvankelijkheid 5.2 Op grond van vaste rechtspraak staat er geen hogere voorziening open tegen een krachtens artikel 3:251 lid 1 BW gegeven beschikking, tenzij er sprake is van een doorbrekingsgrond. KTZ doet een beroep op alle doorbrekingsgronden; zij stelt dat de voorzieningenrechter buiten het toepassingsgebied van artikel 3:251 lid 1 BW is getreden, dit artikel ten onrechte heeft toegepast of buiten toepassing heeft gelaten dan wel bij de behandeling van de zaak essentiële vormen heeft verzuimd. Volgens KTZ is zij daarom ontvankelijk in het hoger beroep. Het hof zal hierna beoordelen of er inderdaad sprake is van een doorbrekingsgrond. 5.3 Volgens KTZ is er sprake van een doorbrekingsgrond, omdat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.