beschikking ___________________________________________________________________ GERECHTSHOF AMSTERDAM ONDERNEMINGSKAMER zaaknummer: 200.260.224/01 OK beschikking van de Ondernemingskamer van 5 april 2024 inzake 1 [A] , wonende te [....] ,
- [B], wonende te [....] ,
- [C], wonende te [....] , VERZOEKSTERS, advocaten: voorheen mr. Y.H. Talstra en mr. A. Middel, thans mr. Y.H. Talstra en mr. J.C. van Galen, kantoorhoudende te Assen, t e g e n 1de stichtingSTICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR VAN AANDELEN [D Beheer B.V.] , gevestigd te [....] ,
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [D Beheer B.V.], gevestigd te [....] , VERWEERSTERS, advocaten: voorheen mr. R.G. Jengibarjan en mr. P.P.R. Hoekstra, thans mr. G.W. Breuker en mr. T. van Dijken, kantoorhoudende te Groningen, e n t e g e n 1 [E] , wonende te [....] ,
- [F], wonende te [....] , BELANGHEBBENDEN, advocaten: voorheen mr. R.G. Jengibarjan en mr. P.P.R. Hoekstra, thans mr. G.W. Breuker en mr. T. van Dijken, kantoorhoudende te Groningen, e n t e g e n 3 [G] , wonende te [....] , BELANGHEBBENDE, verschenen in persoon,
- [H], wonende te [....] , BELANGHEBBENDE, niet verschenen. Hierna zal verweerster sub 2 (ook) worden aangeduid als Veldman Beheer. 1Het verloop van het geding 1.1 Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 15 en 26 oktober 2021, 17 december 2021 en 19 maart 2024 in deze zaak. 1.2 Bij de beschikkingen van 15 en 26 oktober 2021 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Veldman Beheer over de periode vanaf 11 juli 2011, mr. J.T. Stekelenburg benoemd teneinde het onderzoek te verrichten, de vaststelling van het onderzoeksbudget aangehouden en bepaald dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van Veldman Beheer. 1.3 Bij de beschikking van 17 december 2021 heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 65.000 exclusief btw. 1.4 Op 18 maart 2024 heeft de onderzoeker het verslag, met bijlagen, van het in 1.2 bedoelde onderzoek aan de Ondernemingskamer doen toekomen. 1.5 Bij de beschikking van 19 maart 2024 heeft de Ondernemingskamer bepaald dat het op die dag door de griffier ter griffie van de Ondernemingskamer neergelegde onderzoeksverslag, aldaar ter inzage ligt voor belanghebbenden. 1.6 Op 19 maart 2024 heeft de onderzoeker een overzicht van de door hem aan het onderzoek bestede uren en van de door hem en door hem ingeschakelde derden in verband met het onderzoek gemaakte kosten, met urenspecificaties en facturen van deze derden, aan de Ondernemingskamer doen toekomen. Daarbij is uitgegaan van een door hem gehanteerd uurtarief van € 350 exclusief btw. Hoewel het totaalbedrag van bestede uren en gemaakte kosten uitkomt op een hoger bedrag dan het in 1.3 genoemde onderzoeksbudget, heeft de onderzoeker de Ondernemingskamer verzocht zijn vergoeding te bepalen op € 65.000 exclusief btw. 1.7 Nadat de Ondernemingskamer partijen gelegenheid heeft geboden om, alvorens de vergoeding van de onderzoeker overeenkomstig artikel 2:350 lid 3 BW zal bepalen, zich over de opgave en het verzoek van de onderzoeker uit te laten, heeft de Ondernemingskamer op 28 en 29 maart 2024 berichten ontvangen van respectievelijk mrs. Van Galen en Breuker voormeld. Zij hebben ieder afzonderlijk namens hun cliënten aan de Ondernemingskamer gemeld geen opmerkingen te hebben ten aanzien van de in 1.6 genoemde stukken. 2De gronden van de beslissing De onderzoeker heeft de in verband met het onderzoek gemaakte kosten voldoende toegelicht door middel van de in 1.6 genoemde stukken. Geen van partijen heeft bezwaar tegen die kosten gemaakt. Het bedrag aan onderzoekskosten komt de Ondernemingskamer ook niet onredelijk voor. De Ondernemingskamer zal de vergoeding van de onderzoeker overeenkomstig artikel 2:350 lid 3 BW dan ook bepalen als hierna te vermelden. 3De beslissing De Ondernemingskamer: bepaalt de vergoeding van de onderzoeker op € 65.000 exclusief btw; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. de Jongh, voorzitter, mr. C.C. Meijer en mr. A.W.H. Vink, raadsheren, prof. dr. M.N. Hoogendoorn RA en drs. V.G. Moolenaar, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2024.