afdeling strafrecht parketnummer: 23-002659-23 datum uitspraak: 25 april 2024 VERSTEK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 3 oktober 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-218993-22 tegen [verdachte] , geboren te [geboortedatum] op [geboortedag] 1971, adres: [adres 1] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 april 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij in of omstreeks de periode van 9 november 2019 tot en met 7 januari 2020 te Westzaan, gemeente Zaanstad, althans Nederland, [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde] dreigend de woorden toe te voegen "ik wil haar in de kofferbak stoppen" en/of "jij gaat mijn pijn voelen" en/of "ik laat haar opruimen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissingen komt met betrekking tot de bewezenverklaring, de strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij. Partiële vrijspraak Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bewoordingen “jij gaat mijn pijn voelen” en “ik wil haar in de kofferbak stoppen” heeft geuit, zodat hij partieel wordt vrijgesproken. Daarbij betrekt het hof dat een onbekend gebleven medegedetineerde van de verdachte tegen de casemanager van [detentieadres] zou hebben verklaard dat de verdachte deze bewoordingen ten aanzien van zijn ex-vrouw zou hebben gebruikt. Bij gebrek aan ander redengevend bewijs is dit onvoldoende voor een bewezenverklaring. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij in de periode van 17 december 2019 tot en met 7 januari 2020 te Westzaan, gemeente Zaanstad, [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde] dreigend de woorden toe te voegen "ik laat haar opruimen”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, met een proeftijd van 2 jaren en bijzondere voorwaarden, inhoudende meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en verblijf in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen ten aanzien van de straf, aangevuld met een contactverbod met de aangeefster [benadeelde] en een locatieverbod. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn ex-partner door te zeggen “ik laat haar opruimen”. Deze woorden die het slachtoffer ter ore zijn gekomen, zijn zeer bedreigend van aard en hebben bij het slachtoffer gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt, te meer nu de verdachte al meerdere malen is veroordeeld wegens vuurwapenbezit en ook voor bedreiging van het slachtoffer daarmee. Dat het slachtoffer zich vandaag de dag nog steeds onveilig voelt, blijkt ook uit de bij het hof binnengekomen schriftelijke slachtofferverklaring waarin zij aangeeft niet bij de terechtzitting in hoger beroep aanwezig te willen zijn omdat haar angst voor de verdachte nog steeds zeer groot is. Het hof heeft kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 2 oktober 2023, waarin wordt geadviseerd tot oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en verblijf in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang. Om de ernst van het feit voldoende tot uitdrukking te brengen en als stok achter de deur om de verdachte ervan te weerhouden om in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen, zal het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Het hof zal hieraan bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering geadviseerd, aangevuld met een contactverbod met de aangeefster [benadeelde] . Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.690,00, bestaande uit € 690,00 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.190,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.440,00 bestaande uit € 690,00 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vermeerderd met de wettelijke rente. Materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof zal de vordering wat betreft de materiële schade (kosten camera’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.