afdeling strafrecht parketnummer: 23-001681-23 datum uitspraak: 2 mei 2024 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 26 mei 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-051029-23 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] ([geboorteland]) op [geboortedag 1] 1998, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 april 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: primair hij op of omstreeks 17 februari 2023 te Haarlem aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus, heeft toegebracht door die [benadeelde] meermalen (met kracht) in/op/tegen het gezicht te slaan; subsidiair hij op of omstreeks 17 februari 2023 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen (met kracht) in/op/tegen het gezicht van die [benadeelde] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; meer subsidiair hij op of omstreeks 17 februari 2023 te Haarlem [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] meermalen (met kracht) in/op/tegen het gezicht te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus ten gevolge heeft gehad; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Bewijsoverweging en bespreking van een verweer De raadsman heeft in hoger beroep vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde. Daartoe heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij de aangever. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Als gevolg van de vuistslagen van de verdachte, is de neus van de aangever gebroken. De gebroken neus is op 20 februari 2023 rechtgezet. Desondanks is sindsdien nog steeds sprake van enige scheefstand van de neus, die het hof ter terechtzitting in hoger beroep heeft waargenomen. De aangever kampte ook met functionele klachten in de vorm van ademhalingsproblemen. Ter terechtzitting in hoger beroep hebben de aangever en zijn advocaat uitgelegd dat de aangever bij het sporten adem tekort kwam waardoor hij op 7 maart 2024 een zogeheten concha reductie heeft moeten ondergaan. Daarbij zijn de slijmvliezen in zijn neus weggebrand om de ademhaling te verbeteren. Het is op dit moment nog onduidelijk of dit tot voldoende en blijvende verbetering zal leiden. Bij onvoldoende verbetering is een operatie in de toekomst noodzakelijk waarbij de neusholtes worden verruimd door het bot bij te schaven. Anders dan de raadsman heeft betoogd, staat naar het oordeel van het hof voldoende vast dat deze concha reductie medisch noodzakelijk was als gevolg van het handelen van de verdachte. Immers werd al in de brief van de KNO-arts van 20 februari 2023 melding gemaakt van functionele klachten, en werden de ademhalingsmoeilijkheden ook in de toelichting op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij beschreven. Tot slot zal naar alle waarschijnlijkheid ook nog een cosmetische ingreep aan de neus moeten plaatsvinden (rhinoplastiek) om de nog aanwezige scheefstand van de neus te verhelpen. Dit alles maakt dat er ondanks meermalen medisch ingrijpen meer dan een jaar na het tenlastegelegde nog geen medische eindtoestand is bereikt. Ook concludeert het hof dat er een lange periode van onzekerheid overheen zal kunnen gaan voordat die medische eindtoestand bereikt wordt. Uit voorgaande medische informatie volgt naar het oordeel van het hof dat sprake is geweest van een noodzaak tot (meermalen) medisch ingrijpen en dermate ernstig en langdurig letsel dat gesproken kan worden van zwaar lichamelijk letsel. Naar het oordeel van het hof staat ook vast dat de verdachte – minst genomen – voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van dit zwaar lichamelijk letsel. Daartoe stelt het hof voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is, als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Uit het proces-verbaal van het uitkijken van de camerabeelden van het incident blijkt dat de verdachte met gebalde vuist en met kracht de aangever meerdere malen in het gezicht heeft geslagen, en dat de verdachte daarmee is doorgegaan toen de aangever al op de grond lag. Naar algemene ervaringsregels levert het meermalen met vuisten hard in iemands gezicht slaan de aanmerkelijke kans op dat bijvoorbeeld de hersenen, de ogen, de neus dan wel het gebit ernstig beschadigd raken of dat blijvende ontsierende littekens hiervan het gevolg zijn. Deze gedragingen van de verdachte kunnen bovendien naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op het toebrengen van zwaar letsel aan het gezicht gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is het hof niet gebleken. Het primair tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 17 februari 2023 te Haarlem aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus, heeft toegebracht door [benadeelde] meermalen met kracht in het gezicht te slaan. Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het primair bewezenverklaarde levert op: zware mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straffen De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren. Daarbij is als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer gesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechtbank zijn opgelegd. De raadsman heeft het hof in het kader van de strafmaat verzocht om te volstaan met het opleggen van een (deels voorwaardelijke) taakstraf van beperktere omvang dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door het slachtoffer meerdere malen met kracht in het gezicht te slaan. Het slachtoffer heeft hierdoor ernstig letsel, namelijk een neusfractuur opgelopen waardoor meermalen – ook onlangs nog – medische behandeling noodzakelijk is geweest. Bovendien heeft het slachtoffer hierdoor veel pijn geleden en ademhalingsmoeilijkheden ondervonden. Door aldus te handelen heeft de verdachte op zeer ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Bovendien is het slachtoffer zich hierdoor onzeker en onveilig gaan voelen. Daarbij komt dat voor de samenleving geldt dat dit soort misdrijven, zeker als die in het openbaar worden begaan, als zeer bedreigend worden ervaren en gevoelens van onrust en onveiligheid teweegbrengen. Het hof heeft acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd. Daarbij gaat het niet zelden om een taakstraf, gecombineerd met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof constateert dat het taakstrafverbod zoals geformuleerd in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, omdat het hof komt tot een veroordeling voor een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad. Het hof zal daarom niet – zoals door de raadsman is voorgesteld – volstaan met het opleggen van een (deels voorwaardelijke) taakstraf. De verdachte is blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 maart 2024 niet eerder veroordeeld en ook na het onderhavige feit niet meer (aantoonbaar) met politie en justitie in aanraking is gekomen. De bewezenverklaarde geweldsuitspatting is kennelijk een eenmalig, maar zeer heftig incident geweest. Het hof ziet hierin en in hetgeen overigens ter terechtzitting in hoger beroep over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren is gekomen, aanleiding om het onvoorwaardelijk gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf tot een minimum te beperken. Al met al acht het hof, alles afwegende, een taakstraf en een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Het hof stelt daarbij als bijzondere voorwaarde dat de verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met het slachtoffer [benadeelde]. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, groot € 17.513,50, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze bestaat uit een bedrag van € 14.013,50 ter compensatie van materiële schade, bestaande uit: Medische kosten € 6.516,39 Toekomstige medische kosten € 6.500,00 Huisapotheek € 15,79 Kledingschade € 378,90 Onbenut sportabonnement € 39,00 Huishoudelijke hulp € 501,00 Reis- en parkeerkosten € 51,42 McDonalds € 11,00 en een bedrag van € 3.500,00 ter compensatie van immateriële schade. De vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van in totaal € 1.077,56 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep de post a. (medische kosten) omlaag bijgesteld naar een bedrag van € 1.270,00 zodat het totale bedrag aan gevorderde materiële schade waarover het hof een beslissing moet nemen neerkomt op een bedrag van in totaal € 8.767,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.