GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) zaaknummer: 200.336.850/01 (verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing) en 200.332.738/01 (omgang) zaaknummers rechtbank: C/15/340399 / JU RK 23-864 (verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing) en C/15/339546 / JU RK 23-714 (omgang) beschikking van de meervoudige kamer van 14 mei 2024 in de zaak van [de moeder] , verblijvende PI [plaats A] , locatie [locatie] , verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. G.M. Haring te Amsterdam, en de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te [vestigingsplaats] , verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de GI. Het hof heeft verder als belanghebbenden aangemerkt: - de minderjarige [minderjarige 1] (verder te noemen: [minderjarige 1] ); - de minderjarige [minderjarige 2] (verder te noemen: [minderjarige 2] ); - de minderjarige [minderjarige 3] (verder te noemen: [minderjarige 3] ); - [grootmoeder] (verder te noemen: de grootmoeder moederszijde), bijgestaan door mr. S.L. Fronik; - [curator] (verder te noemen: de bijzondere curator). In zijn adviserende taak is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem, hierna te noemen: de raad. 1De zaak in het kort In de zaak met zaaknummer 200.336.850/01 ( verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing) 1.1 Deze zaak gaat over de verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] (verder gezamenlijk te noemen: de kinderen). 1.2 De rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (verder te noemen: de rechtbank) heeft op 18 oktober 2023 de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd tot 11 april 2024. De moeder is het daar niet mee eens. De GI is het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Het hof beslist dat de rechtbank op juiste gronden de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing heeft verlengd tot 11 april 2024 en legt hierna uit waarom. In de zaak met zaaknummer 200.332.738/01 (omgang) 1.3 Deze zaak gaat over de omgangsregeling tussen de moeder en de kinderen. 1.4 De kinderrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (verder te noemen: de kinderrechter) heeft op 28 juni 2023 de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om, kort gezegd, een omgangsregeling vast te stellen. De moeder is het daarmee niet eens en wil dat haar inleidende verzoeken alsnog worden toegewezen. Het hof beslist dat de kinderrechter op juiste gronden heeft bepaald dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoeken en legt hierna uit waarom. 2De procedures in hoger beroep In de zaak met zaaknummer 200.336.850/01 ( verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing) 2.1 De moeder is op 18 januari 2024 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 18 oktober 2023. In de zaak met zaaknummer 200.332.738/01 (omgang) 2.2 De moeder is op 26 september 2023 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 28 juni 2023. In beide zaken: 2.3 Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen: - een bericht van de zijde van de GI van 19 maart 2024 met bijlagen; - een bericht van de zijde van de moeder van 5 april 2024 met bijlagen. 2.4 Het hof heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben daarvan geen gebruik gemaakt. 2.5 De mondelinge behandeling van beide zaken heeft op 8 april 2024 – gelijktijdig – plaatsgevonden. Ter zitting waren aanwezig: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - de GI, vertegenwoordigd door de gezinsvoogden; - de bijzondere curator; - de grootmoeder moederszijde, bijgestaan door haar advocaat; - de raad, vertegenwoordigd door S. Molenaar; Het hof heeft bijzondere toegang verleend aan een kantoorgenoot van mr. Haring. Door mr. Haring zijn ter zitting in elk van de beide zaken pleitnotities overgelegd. 3De feiten 3.1 De moeder heeft drie minderjarigen kinderen: - [minderjarige 1] , geboren [in] 2012 in de gemeente [plaats B] ; - [minderjarige 2] , geboren [in] 2014 in de gemeente [plaats C] ; - [minderjarige 3] , geboren [in] 2017 in de gemeente [plaats C] , hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen. De moeder oefent alleen het gezag uit over de kinderen. De vader is buiten beeld. In beide zaken 3.2 De kinderen zijn op 23 mei 2022 voorlopig onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is bij beschikking van 11 augustus 2022 definitief uitgesproken en sindsdien steeds verlengd. 3.3 Bij beschikking van de kinderrechter van 23 mei 2022 is ook een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een gezinshuis verleend. Deze machtiging tot uithuisplaatsing is bij beschikking van 31 mei 2022 verlengd tot 23 augustus 2022. 3.4 Bij beschikking van de kinderrechter van 11 augustus 2022 is een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg, te weten het netwerkpleeggezin van de grootmoeder moederszijde, verleend tot 11 februari 2023. 3.5 Vervolgens zijn de kinderen op 1 september 2022 onder voorwaarden weer teruggeplaatst bij de moeder. 3.6 Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 31 oktober 2022 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de grootmoeder moederszijde, verleend. Deze uithuisplaatsing is daarna steeds verlengd. 3.7 De kinderen verblijven op dit moment op grond van voornoemde machtiging tot uithuisplaatsing bij de grootmoeder moederszijde. 3.8 De GI heeft in januari 2023 een opvoedbesluit genomen, welk besluit bij brief van 28 februari 2023 aan de moeder is medegedeeld. Naar aanleiding van dit besluit heeft de GI een verzoek tot onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel ingediend bij de raad. De raad heeft dit onderzoek inmiddels afgerond en heeft op basis van de resultaten een verzoek tot gezagsbeëindiging ingediend. Naar het hof begrijpt is dit verzoek nog niet op zitting gepland. 3.9 De kinderen hebben van december 2022 tot 21 augustus 2023 geen fysieke omgang met de moeder gehad. Vanaf 21 augustus 2023 hebben er drie begeleide omgangsmomenten plaatsgevonden. Na deze omgangsmomenten hebben de kinderen geen omgang meer gehad met de moeder. 3.10 Bij de – in zoverre niet bestreden – beschikking van 18 oktober 2023 is [curator] benoemd tot bijzondere curator over de kinderen. 3.11 Bij beschikking van 11 maart 2024 heeft de kinderrechter het ouderlijk gezag van de moeder over de kinderen geschorst en bepaald dat de maatregel na verloop van drie maanden na de dag van de beschikking van rechtswege vervalt, tenzij voor het einde van deze termijn bij de rechtbank een verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag is ingediend. De GI is belast met de voorlopige voogdij over de kinderen. Naar het hof begrijpt is deze schorsing bij mondelinge uitspraak van 5 april 2024 door de kinderrechter opgeheven. In de zaak met zaaknummer 200.332.738/01 (omgang) 3.12 De GI heeft meerdere schriftelijke aanwijzingen gegeven aan de moeder over de omgangsregeling tussen haar en de kinderen. Voor zover nu van belang, betreft het de hierna te noemen schriftelijke aanwijzingen. 3.13 Op 10 maart 2023 heeft de GI de moeder een schriftelijke aanwijzing vaststelling bezoekregeling in de zin van artikel 1:265f van het Burgerlijk Wetboek (BW) gegeven waarin een omgangsregeling is vastgesteld inhoudende dat er eenmalig een omgangsmoment tussen de moeder en de kinderen plaatsvindt onder begeleiding van twee jeugdbeschermers bij de grootmoeder moederszijde thuis voor de duur van één uur. 3.14 De laatste schriftelijke aanwijzing is op 19 december 2023 gegeven. In deze schriftelijke aanwijzing is bepaald dat de moeder eens in de twee weken twee uur begeleide omgang heeft met [minderjarige 3] en [minderjarige 2] . Voor [minderjarige 1] duurt deze omgang drie uur. De omgang wordt begeleid door twee begeleiders, afkomstig van Koel & Co of Unalzorg. Verder is hierin bepaald dat er na drie omgangsmomenten een evaluatie plaatsvindt waarbij wordt bekeken of uitbreiding van de omgangsregeling mogelijk is of niet. 3.15 De moeder heeft gehele of gedeeltelijke vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van 19 december 2023 verzocht aan de kinderrechter, en daarbij verzocht een omgangsregeling tussen haar en de kinderen vast te stellen. Bij beschikking van 14 februari 2024 heeft de kinderrechter de verzoeken afgewezen. 4De omvang van het hoger beroep In de zaak met zaaknummer 200.336.850/01 ( verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing) 4.1 Bij de bestreden beschikking van 18 oktober 2023 zijn, voor zover nu van belang, de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd tot 11 april 2024. 4.2 De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover hierbij de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen zijn verlengd tot 11 april 2024, en de inleidende verzoeken van de GI af te wijzen. 4.3 De GI verzoekt, zo begrijpt het hof, de bestreden beschikking te bekrachtigen. In de zaak met zaaknummer 200.332.738/01 (omgang) 4.4 Bij de bestreden beschikking van 28 juni 2023 heeft de kinderrechter de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken om een omgangsregeling vast te stellen. 4.5 De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat zij alsnog ontvangen wordt in haar verzoeken en dat deze worden toegewezen, met dien verstande dat een onbegeleide omgangsregeling wordt vastgesteld waarbij de moeder omgang heeft met de kinderen op: - maandag van 17:00 uur tot 21:00 uur; - woensdag van 12:00 uur tot 19:00 uur; - vrijdag van 17:00 uur tot 22:00 uur, en - zondag van 10:00 uur tot 20:30 uur. Subsidiair verzoekt de moeder een andere omgangsregeling vast te stellen, dan wel meer subsidiair een beslissing te nemen die het hof juist acht. 4.6 De GI verzoekt, zo begrijpt het hof, de bestreden beschikking te bekrachtigen. 5De motivering van de beslissing in beide zaken In de zaak met zaaknummer 200.336.850/01 ( verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing) De standpunten van partijen 5.1 De moeder stelt dat ten onrechte een groot gewicht wordt toegekend aan de verhuizing met de kinderen naar Portugal. De moeder beschikt over goede opvoedkwaliteiten en zij had het recht om met haar kinderen naar Portugal te verhuizen. Na de terugkomst in Nederland hebben de jeugdbeschermers altijd gehandeld vanuit de gedachte dat het gezag van de moeder beëindigd zal worden. Hierdoor is nooit meer moeite gedaan om toe te werken naar een terugplaatsing van de kinderen bij de moeder. Er wordt voortdurend uitgegaan van onjuiste feiten waarbij geen oog is voor de opvoedvisie van de moeder. De kinderen zijn ten onrechte uit huis geplaatst, aangezien de moeder hen altijd een veilig opvoedklimaat heeft kunnen bieden. 5.2 De GI voert aan dat tot op heden geen samenwerking tot stand heeft kunnen komen in het kader van de ondertoezichtstelling. In januari 2023 is een opvoedbesluit genomen en is niet langer toegewerkt naar een terugplaatsing van de kinderen bij de moeder. De GI vindt de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de grootmoeder moederszijde noodzakelijk omdat de kinderen hier – in tegenstelling tot de opvoedsituatie bij de moeder – stabiliteit, rust en voorspelbaarheid ervaren. Het advies van de raad 5.3 De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. Inmiddels heeft de raad een verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder ingediend. De raad is van mening dat de moeder een fysieke bedreiging vormt voor de kinderen. De raad constateert dat het moeilijk is om samen te werken met de moeder en om uitvoering te geven aan de ondertoezichtstelling. De raad zou daarom meer zicht willen hebben op de oorzaken van het gedrag van de moeder. Mogelijk zal een forensisch onderzoek, zoals dat misschien in het kader van de strafzaak zal worden gelast, hierover meer duidelijkheid geven. Het wettelijk kader Verlenging ondertoezichtstelling 5.4 Op grond van artikel 260, eerste lid, in verband met artikel 255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen. Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing 5.5 Op grond van artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. In artikel 1:265c, tweede lid, BW is bepaald dat de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur telkens met een jaar kan verlengen. De beoordeling 5.6 Hoewel de termijn waarvoor de rechtbank de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing heeft verlengd inmiddels is verlopen, heeft de moeder, gelet op het door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven, niettemin een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de verlenging te laten toetsen. Het hof dient nu te beoordelen of de gronden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen ten tijde van het geven van de beschikking en ook nog tot 11 april 2024 aanwezig waren, en of die verlenging ook noodzakelijk was. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat dat het geval is. Verlenging was noodzakelijk. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing terecht verlengd. Het hof overweegt hiertoe als volgt. 5.7 Het hof heeft zich bij beschikking van 26 september 2023 uitgesproken over de noodzaak van de (verlenging van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.