GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht team III (familie- en jeugdrecht) zaaknummer : 200.333.972/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/711564 / HA ZA 21-1099 arrest van de meervoudige familiekamer van 23 januari 2024 inzake [de man] , wonend te [plaats A] (Egypte), appellant in de hoofdzaak, eiser in het incident, advocaat: mr. V.W.J.M. Kuit te Amsterdam, tegen [de vrouw] , wonend te [plaats B] , geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat: mr. D. Rezaie te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Appellant wordt hierna de man en geïntimeerde de vrouw genoemd. De man is bij dagvaarding van 18 oktober 2023 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 19 juli 2023 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenstaand zaak-/rolnummer gewezen tussen de man als gedaagde en de vrouw als eiseres. De appeldagvaarding bevat zeven grieven en een incidentele vordering strekkende tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis op de voet van artikel 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) totdat in hoger beroep is beslist. De zaak is aangebracht op de rol van 31 oktober 2023. Op deze datum heeft de man overeenkomstig voormeld exploot geconcludeerd en producties overgelegd. De vrouw heeft daarop een conclusie van antwoord in het incident genomen en geconcludeerd tot - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van de man in de kosten van het incident. Vervolgens is arrest gevraagd in het incident. 2Beoordeling in het incident 2.1 Partijen zijn met elkaar gehuwd [in] 2014 te [plaats C] (Egypte). De vrouw heeft de Nederlandse en de man de Egyptische en Franse nationaliteit. Op verzoek van de vrouw heeft de rechtbank te Amsterdam op 13 juli 2022 de echtscheiding uitgesproken. Op het verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank Nederlands recht toegepast. De vrouw wil (ook) de echtscheiding naar Egyptisch/Islamitisch recht bewerkstelligen. De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis de man gelast om, binnen twaalf weken nadat hij van de vrouw overhandigd heeft gekregen haar voor het doel toereikende schriftelijke verklaring van afstand (van kort gezegd haar financiële rechten naar Egyptisch recht), bij de Egyptische ambassade in Nederland een aanvraag tot echtscheiding in te dienen en daarbij te verzoeken om een echtscheidingsakte die in Egypte en in alle andere landen wordt erkend op straffe van een dwangsom van € 500,= per dag dat hij geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft om aan de veroordeling te voldoen, met een maximum van € 100.000,=. De rechtbank heeft deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de proceskosten gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen. De uitvoerbaar bij voorraad verklaring is niet gemotiveerd. 2.2 Kort gezegd stelt de man ter onderbouwing van zijn incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, onder verwijzing naar de grieven waarmee hij ingaat op de daarin vervatte beslissing en de gronden waarop deze berust, dat de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis misbruik van bevoegdheid oplevert. De man stelt dat hij ernstig wordt benadeeld door het innen van dwangsommen aangezien hij deze niet op kan brengen; de vrouw zou in verband daarmee, zo begrijpt het hof, maatregelen kunnen uitlokken die zijn bewegingsvrijheid in Nederland belemmeren en daarmee de toegang tot zijn zoons in het kader van de omgangsregeling. 2.3 De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd, op gronden waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan. 2.4 Het hof oordeelt als volgt. 2.5 Bij de beoordeling van de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, waarin over de uitvoerbaarheid bij voorraad ongemotiveerd is beslist, stelt het hof het volgende voorop (vgl. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij de toepassing van deze maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag. 2.6 Het hof stelt voorop dat de vrouw een zwaarwegend belang heeft bij tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis. Bij het uitblijven van een echtscheiding naar Egyptisch recht zou de vrouw in haar verdere mogelijkheden worden beperkt. 2.7 De man heeft onvoldoende gesteld om aan zijn zijde een belang aan te kunnen nemen bij behoud van de bestaande toestand hangende het hoger beroep dat zwaarder weegt dan het belang van de vrouw bij tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis hangende het hoger beroep. De stellingen van de man gaan namelijk ervan uit dat hij dwangsommen zal verbeuren en onvoldoende middelen heeft om de dwangsommen te voldoen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis op dit punt zou kunnen leiden tot de door de man gestelde beperking van zijn bewegingsvrijheid. Hiervan zou bijvoorbeeld sprake kunnen zijn als lijfsdwang zou worden toegestaan. Dat is echter niet gebeurd in het bestreden vonnis en gesteld noch gebleken is dat dit bij een andere rechterlijke beslissing is gebeurd. 2.8 Voor zover de man zijn incidentele vordering baseert op inhoudelijke bezwaren tegen het bestreden vonnis, kan het hof daarop in het kader van dit incident niet ingaan. Op het oordeel in de hoofdzaak kan immers niet worden vooruitgelopen. De onder 2.2 weergegeven stellingen van de man leiden verder niet tot het oordeel dat het bestreden vonnis op een kennelijke misslag berust. Voor een verdere beoordeling van de juistheid van de overwegingen van de rechtbank is in dit incident geen plaats. 2.9 De incidentele vordering van de man tot schorsing van de tenuitvoerlegging zal worden afgewezen. 2.10 Een oordeel over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak. in de hoofdzaak 2.11 De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een memorie van antwoord door de vrouw. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. 3Beslissing Het hof: in het incident: wijst de vordering af; houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak; in de hoofdzaak: verwijst de zaak naar de rol van 5 maart 2024 voor het nemen van een memorie van antwoord door de vrouw; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, M.C. Schenkeveld en J. Jonkers en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2024.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.