GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 22/455 9 april 2024 uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , wonende te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels) tegen de uitspraak van 20 mei 2022 in de zaak met kenmerk HAA 20/5402 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [A-straat] 18 te [Z] (de woning) voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 515.000. In hetzelfde geschrift heeft de heffingsambtenaar de aanslag onroerendezaakbelasting (hierna: OZB) voor dat jaar bekendgemaakt. 2. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd. 3. Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 20 mei 2022 heeft de rechtbank als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’): “De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 500; - veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 541; - draagt de minister van Justitie en Veiligheid op het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden tot een bedrag van € 48.” 4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2024. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2Feiten 2.1. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld: “Eiser is gebruiker van de woning. De woning is een vrijstaande woning met bouwjaar 1971 met een garage en dakkapel. De inhoud van de woning is ongeveer 498 m³ en de oppervlakte van het perceel is 521 m².” 2.2. Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten en vult deze als volgt aan. 2.3. In eerste aanleg is een “waardematrix” door de heffingsambtenaar overgelegd. Daarin zijn als vergelijkingsobjecten [B-straat] , [C-straat] , [D-straat] . [A-straat] 28, [E-straat] 13 en [E-straat] 5 (alle vrijstaand of twee-onder-een-kap woningen met een bouwjaar tussen 1967 en 1972) opgenomen. 3Geschil in hoger beroep In hoger beroep is in geschil of de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Tevens is de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding in geschil. 4Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft met betrekking tot het geschil het volgende overwogen: “Beoordeling van het geschil De waarde van de woning 6. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. 7. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken wordt de waarde, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, voor woningen bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. 8. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Voor de beoordeling of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, is van belang of de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn met de woning, en indien dit het geval is, of verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. 9. De rechtbank acht de door verweerder aangevoerde vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar. De vergelijkingsobjecten zijn alle kort voor en na de waardepeildatum verkocht en wat type, bouwjaar, inhoud en waardekenmerken voldoende vergelijkbaar. Weliswaar vertonen de vergelijkingsobjecten verschillen met de woning, zo betreft [A-straat] 30 een twee-onder-een-kapwoning met een kleinere kaveloppervlakte, maar vergelijkingsobjecten hoeven niet identiek te zijn. Het gaat erom of verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen deze vergelijkingsobjecten en de woning. 10. Verweerder heeft met de bij het verweerschrift overgelegde matrix een toelichting gegeven op de vastgestelde waarde van de woning aan de hand van de voor de woning en de vergelijkingsobjecten gehanteerde kubieke meterprijzen. In de matrix zijn op een aantal punten vergelijkingen gemaakt tussen de woning en de vergelijkingsobjecten en zijn de verschillen zichtbaar gemaakt. De stelling van eiser dat verweerder bij de waardering van de woning onvoldoende rekening heeft gehouden met de ligging van de woning onder de aanvliegroute van de [landingsbaan] van [luchthaven] en de daarmee gepaard gaande overlast slaagt niet, omdat het aspect van de ligging is verdisconteerd in de voor de vergelijkingsobjecten. De vergelijkingsobjecten hebben immers een met de woning vergelijkbare ligging en zijn dus aan een vergelijkbare overlast van [luchthaven] onderworpen. De stelling van eiser dat verweerder bij de waardering van de woning onvoldoende rekening heeft gehouden met de wet van het afnemend grensnut slaagt evenmin, omdat eiser zijn stelling bij betwisting door verweerder onvoldoende heeft onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de overgelegde matrix alsmede met hetgeen hij overigens heeft aangevoerd in beginsel voldoende aannemelijk gemaakt dat de getaxeerde waarde van € 515.000 voor de woning niet te hoog is. 11. Verder heeft eiser aangevoerd dat de aan de woning toegekende waarde niet in een juiste verhouding staat tot de waarde die voor het voorgaande jaar aan de woning is toegekend. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Doel en strekking van de Wet WOZ brengen mee dat de waarde van een onroerende zaak elk jaar opnieuw wordt bepaald. Voor de beoordeling van de juistheid van de voor het onderhavige jaar vastgestelde waarde is daarom slechts van belang of de aan de woning toegekende waarde in overeenstemming is met het wettelijk waardebegrip, zoals hierboven weergegeven. Aan de verhouding tussen voor twee opvolgende jaren vastgestelde waarden komt in dat kader geen zelfstandige betekenis toe. Het standpunt van eiser slaagt daarom niet. 12. Gelet op het vorenstaande is de waarde van de woning niet te hoog vastgesteld. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard. Verzoek om vergoeding van immateriële schade 13. Eiser heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. 14. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:20 16:252. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond. Voor de behandeling van een bezwaar is een termijn van zes maanden redelijk en voor de behandeling van een beroep een termijn van anderhalf jaar. 15. De berechting van deze zaak is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder op 1 april 2020 en geëindigd met de uitspraak van de rechtbank op 20 mei 2022. De voor de procedure in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn bedraagt derhalve afgerond 26 maanden. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor de verlenging van de redelijke termijn is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Ter zitting heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat in verband met de coronacrisis de redelijke termijn (van twee jaar) dient te worden verkort. De rechtbank is, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252), van oordeel dat niet sprake is van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan de termijn dient te worden verkort. De redelijke termijn is daarom overschreden met afgerond twee maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 500. De overschrijding van de redelijke termijn is volledig toerekenbaar aan de beroepsfase. 16. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 500. Proceskosten en griffierecht 17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 541 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een wegingsfactor 0,5 nu de proceskostenvergoeding uitsluitend wordt toegekend vanwege de vergoeding van door eiser geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, vgl. het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660). Voorts zal verweerder worden opgedragen het van eiser geheven griffierecht te vergoeden.” 5Beoordeling van het geschil in hoger beroep 5.1. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. Op de heffingsambtenaar rust de last aannemelijk te maken dat de door hem vastgestelde waarde niet te hoog is. 5.2. Het Hof stelt voorop dat: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.