afdeling strafrecht parketnummer: 23-000654-23 datum uitspraak: 30 mei 2024 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 februari 2023 in de strafzaak onder de parketnummers 13-273337-22 en 13-301026-19 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1993, adres: [adres 1] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 april 2024 en 30 mei 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw - naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 31 december 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (zijn levensgezel/vriendin), [slachtoffer] , heeft mishandeld door [slachtoffer] (met kracht) - éénmaal of meermalen tegen haar be(e)n(en) te trappen en/of te schoppen en/of - éénmaal of meermalen in haar gezicht/gelaat en/of op/tegen haar hoofd te slaan en/of stompen en/of - te duwen; 2.hij op of omstreeks 23 oktober 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door [slachtoffer] (met kracht): - éénmaal of meermalen tegen het lichaam te slaan en/of stompen en/of - éénmaal of meermalen een hand over haar mond en neus te leggen en/of - éénmaal of meermalen aan haar haren te trekken en/of - éénmaal of meermalen haar gezicht te bewerken; 3.hij op of omstreeks 23 oktober 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid metamfetamine en/of MDMA en/of cocaine en/of heroine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende metamfetamine en/of MDMA en/of cocaine en/of heroine, zijnde metamfetamine en/of MDMA en/of cocaine en/of heroine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 4.hij op of omstreeks 23 oktober 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1e van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Walther, type P22, kaliber .22 LR, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 9 patronen van het kaliber .22LR, voorhanden heeft gehad; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Overwegingen ten aanzien van feit 3 en 4 De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat bewezenverklaring van het onder 3 en 4 tenlastegelegde moet volgen. De raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van de drugs in de witte dressoirkast (onder feit 3) en het voorhanden hebben van een wapen en munitie in diezelfde witte dressoirkast (onder feit 4). Het hof overweegt als volgt. Aan de verdachte is onder meer ten laste gelegd dat hij een wapen, munitie en verschillende soorten harddrugs voorhanden heeft gehad (feiten 3 en 4). Het hof stelt voorop dat zowel voor het ‘voorhanden hebben’ van een wapen met munitie in de zin van artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, als voor het ‘aanwezig hebben’ van drugs als bedoeld in artikel 2 onder C van de Opiumwet, is vereist dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van deze goederen, én dat deze goederen zich binnen zijn machtssfeer bevonden. De verdachte heeft bekend dat hij de drugs in de [winkel] tas, die hij op 23 oktober 2022 naar buiten gooide, opzettelijk aanwezig heeft gehad. Tijdens de doorzoeking van zijn woning diezelfde dag, werd in een witte dressoirkast in de keuken een plastic zakje met drugs en een vuurwapen met daarin 9 patronen aangetroffen. De verdachte ontkent dat hij wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs en het vuurwapen in deze dressoirkast. Vooropstaat dat de verdachte de enige huurder en de enige bewoner is van deze woning. In beginsel gaat het hof er vanuit dat de persoon die in een woning verblijft wetenschap heeft van de daar aanwezige goederen en dat deze goederen zich ook in zijn machtssfeer bevinden. Van de verdachte mag onder deze omstandigheden een redelijke verklaring worden verlangd voor de aanwezigheid van de verdovende middelen en het vuurwapen met munitie. De verdachte is meerdere keren gehoord en gevraagd om een verklaring voor de aanwezigheid van deze goederen in zijn woning. Een redelijke verklaring hiervoor bleef uit, tot de verdachte tegenover de reclassering heeft verklaard dat hij een week voor de doorzoeking een huisfeestje had gegeven, waarbij mensen aanwezig waren die zich mogelijk met criminele activiteiten bezighielden. Tijdens dat huisfeestje zouden de drugs en het vuurwapen zonder medeweten van de verdachte in de dressoirkast kunnen zijn gelegd. Ook op de terechtzitting in hoger beroep bleef de verdachte bij deze verklaring. Op de vraag ter terechtzitting in hoger beroep of het de neef van de verdachte kan zijn geweest die de goederen in de dressoirkast heeft gelegd, antwoordde de verdachte dat hij niemand de schuld wil geven. Het hof is van oordeel dat de verklaring van de verdachte niet aannemelijk is. Daarbij stelt het hof voorop dat de verdachte pas in een laat stadium met deze verklaring is gekomen. Immers, tijdens eerdere verhoren door de politie, de rechter-commissaris en bij de raadkamer gevangenhouding heeft de verdachte, hoewel daartoe steeds in de gelegenheid gesteld, niets verklaard over een huisfeestje in zijn woning. De verklaring die de verdachte uiteindelijk ten overstaan van de reclassering en ter terechtzitting in hoger beroep heeft gegeven, is naar het oordeel van het hof ontoereikend. Zo heeft de verdachte geen inzicht gegeven in de vraag wie er op het feestje aanwezig waren en waarom iemand zonder zijn medeweten een vuurwapen en drugs op een makkelijk toegankelijke plek in zijn woning, namelijk een dressoirkast in de keuken, zou willen bewaren. Dit klemt te meer nu de verdachte er klaarblijkelijk geen bezwaar tegen heeft om verboden spullen van andere mensen in zijn woning voorhanden te hebben. Zo bewaarde hij ook willens en wetens de [winkel] tas met harddrugs voor een ander. Daarover heeft de verdachte immers verklaard dat hij wel wist dat er in die tas iets strafbaars zat. Deze redengevende feiten en omstandigheden doen veronderstellen dat een alternatief scenario waarin zonder wetenschap van de verdachte een ander de tas met drugs en het wapen met patronen in de door hem bewoonde woning heeft geplaatst, als hoogst onwaarschijnlijk terzijde kan worden geschoven. Nu een redelijke verklaring voor de aanwezigheid van de verdovende middelen, het vuurwapen en de munitie is uitgebleven, is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte daarvan wetenschap moet hebben gehad en dat hij de feitelijke macht hierover uitoefende in die zin dat hij over de goederen kon beschikken. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat ook het voorhanden hebben van het zakje met drugs en het vuurwapen met patronen in de dressoirkast wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.hij op 31 december 2020 te Amsterdam [slachtoffer] , heeft mishandeld door [slachtoffer] meermalen tegen haar benen te trappen of te schoppen en meermalen in haar gezicht en tegen haar hoofd te slaan en te stompen en te duwen; 2.hij op 23 oktober 2022 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door [slachtoffer] meermalen tegen het lichaam te slaan en een hand over haar mond en neus te leggen en aan haar haren te trekken; 3.hij op 23 oktober 2022 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine en MDMA en cocaïne en heroïne; 4.hij op 23 oktober 2022 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1e van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Walther, type P22, kaliber .22 LR, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 9 patronen van het kaliber .22LR, voorhanden heeft gehad. Hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert telkens op: mishandeling. Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Het onder 4 bewezenverklaarde levert op: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht bij het opleggen van een straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en in geval van een (deels) voorwaardelijke straf de proeftijd te beperken tot één jaar. Voorts heeft zij verzocht om de bijzondere voorwaarde van diagnostiek en ambulante behandeling niet opnieuw op te leggen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een tweetal mishandelingen. Dit zijn bijzonder kwalijke feiten, mede omdat de verdachte en het slachtoffer elkaar goed kenden. De verdachte heeft met de mishandelingen inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van het slachtoffer. Slachtoffers van dergelijke delicten kunnen daar nog lange tijd nadelige psychische gevolgen van ondervinden. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van harddrugs, een vuurwapen en munitie in zijn woning. Met zijn handelen, ook met het enkele aanwezig hebben van een dergelijke hoeveelheid harddrugs, heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van het gebruik van voor de volksgezondheid schadelijke harddrugs en de bijbehorende handel daarin, die niet zelden gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit. Dat er in de woning naast drugs ook een wapen en munitie werden aangetroffen, maakt het gevaar alleen maar groter. Het voorhanden hebben van een wapen met patronen veroorzaakt onaanvaardbare veiligheidsrisico’s en gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Dit rekent het hof de verdachte aan. Bij de strafbepaling heeft het hof ook gekeken naar het strafblad van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor drugsfeiten. Voorts heeft het hof kennis genomen van het rapport van de reclassering van 19 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.