beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling strafrecht rekestnummer(s): 000858-23 (530 Sv) en 000859-23 (533 Sv) parketnummer in eerste aanleg: 13/107032-21 Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 10 november 2022 op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [appellant], geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 2001, domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. A.A. Scholtmeijer, K.R. Poststraat 80-1, 8441 ER Heerenveen.. 1Procesverloop Het hoger beroep is op 22 november 2022 ingesteld door verzoeker (hierna appellant). Op 12 maart 2024 heeft de advocaat-generaal het advies van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt. Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 23 april 2024 de advocaat-generaal en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet in raadkamer verschenen. 2Inhoud van het verzoek Het verzoek - zoals aangevuld in raadkamer in hoger beroep - strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van: schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 260,00; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg en hoger beroep ten bedrage van € 1.020,
- 3Beoordeling Het hoger beroep is tijdig ingesteld. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen omdat de gronden van billijkheid niet voldoende gesteld en onderbouwd zijn om de kosten die verzoeker in het kader van dit onderzoek heeft gemaakt ten laste van de Staat te laten komen, nu het hier om een voorwaardelijk sepot gaat. Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Het hof leidt hieruit af dat een verzoek in beginsel wordt toegewezen tenzij gronden van billijkheid zich hiertegen verzetten. Het is aan de raadkamer om het oordeel daaromtrent bij afwijzing inzichtelijk te motiveren. In het onderhavige geval is uit het dossier gebleken dat appellant zich moedwillig heeft laten aanhouden omdat hij een slaapplaats voor de nacht wenste. Onder die omstandigheden ziet het hof geen gronden van billijkheid voor toewijzing van het verzoek ex artikel 533 Sv. Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 1.020,
- Het hof zal de beschikking waarvan beroep derhalve vernietigen en opnieuw recht doen. 4Beslissing Het hof: Vernietigt de beschikking waarvan beroep en doet opnieuw recht. Kent op de voet van artikel 530 Sv uit ’s Rijks kas aan appellant een vergoeding toe van € 1.020,00 (duizend twintig euro). Wijst het meer of anders verzochte af. Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant. Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.M.P. Geelhoed, P.F.E. Geerlings en P.C. Verloop, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 4 juni
- De voorzitter beveelt: de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 1.020,00 (duizend twintig euro) op bankrekeningnummer [rekeningnummer] tnv [tnv] o.v.v. [ovv]. Amsterdam, 4 juni 2024, mr. A.M.P. Geelhoed, voorzitter.