beschikking ___________________________________________________________________ GERECHTSHOF AMSTERDAM ONDERNEMINGSKAMER zaaknummer : 200.340.874/01 OK beschikking van de Ondernemingskamer van 30 mei 2024 waarin is vastgelegd de beslissing zoals mondeling uitgesproken ter zitting van 23 mei 2024 inzake de stichting STICHTING PERSOONLIJK VOORTGEZET ONDERWIJS, gevestigd te Amsterdam, VERZOEKSTER, advocaat: mr. J. Streefkerk, kantoorhoudende te ’s-Gravenhage, t e g e n DE MEDEZEGGENSCHAPSRAAD VAN PVO AMSTERDAM (31FG), gevestigd te Amsterdam, VERWEERDER, advocaat: mr. G.A. Stouthart, kantoorhoudende te Utrecht. 1Het verloop van het geding 1.1 In het vervolg zal verzoekster (ook) worden aangeduid met PVO en verweerder als de MR. 1.2 PVO is bij verzoekschrift van 6 mei 2024 in beroep gekomen tegen de uitspraak van de Landelijke Commissie voor Geschillen Wms (hierna: de commissie) van 23 april 2024 (en schriftelijk gemotiveerd op 3 mei 2024), gewezen onder nummer 62307, tussen de MR als verzoeker en PVO als verweerster. In deze uitspraak heeft de commissie, kort gezegd, geoordeeld dat PVO niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om PVO Amsterdam (hierna: de school) per 1 augustus 2024 te sluiten en dat dit besluit niet in stand kan blijven. 1.3 PVO heeft de Ondernemingskamer verzocht om haar beroep gegrond te verklaren, de bestreden uitspraak te vernietigen en te bepalen dat het besluit van PVO tot sluiting van de school in stand kan blijven. 1.4 De MR heeft bij verweerschrift van 16 mei 2024 de Ondernemingskamer verzocht de verzoeken van PVO af te wijzen en de uitspraak van de commissie te bekrachtigen. Daarnaast heeft de MR incidenteel beroep ingesteld tegen de uitspraak van de commissie en conform zijn verzoekschrift in eerste aanleg verzocht: PVO te verplichten om aan te wijzen gevolgen van het besluit ongedaan te maken; PVO te verbieden om handelingen te (doen) verrichten ter uitvoering van het besluit of onderdelen daarvan. 1.5 Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 23 mei 2024. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht aan de hand van aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde aantekeningen. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt. Direct na afloop van de behandeling ter zitting heeft de Ondernemingskamer, na beraadslaging in raadkamer, mondeling uitspraak gedaan. Deze schriftelijke vastlegging van die uitspraak is aangevuld met een weergave van de volgende feiten. 2De feiten 2.1 PVO is het bevoegd gezag van acht kleinschalige scholen voor voortgezet onderwijs. Een van deze scholen is de school in Amsterdam voor havo en vwo. Op 1 oktober 2023 had de school 266 leerlingen, hetgeen betekende dat het leerlingenaantal van de school voor het derde opeenvolgende jaar onder de zogenaamde opheffingsnorm lag. In beginsel stopt de bekostiging vanuit het Rijk voor scholen met een leerlingenaantal dat drie jaar op rij onder de opheffingsnorm ligt met ingang van 1 augustus van het daaropvolgende schooljaar. PVO heeft per brief van 18 januari 2024 haar voornemen de school per 1 augustus 2024 te sluiten kenbaar gemaakt aan de ouders en verzorgers van de leerlingen van de school. De MR kan zich in dit besluit en in het bijzonder de wijze van totstandkoming daarvan niet vinden. Hieraan is het volgende vooraf gegaan. 2.2 Op 28 april 2021 heeft de Inspectie van het Onderwijs (hierna: de Onderwijsinspectie) geoordeeld dat de kwaliteit van het op de school gegeven onderwijs zeer zwak was en dat het bestuur van PVO Amsterdam op verschillende onderwerpen (onder andere onderwijskwaliteit en medezeggenschap) niet aan de eisen voldeed. De Onderwijsinspectie heeft toen de school en het schoolbestuur onder verscherpt toezicht geplaatst en het bestuur de opdracht gegeven binnen een jaar voor herstel te zorgen. 2.3 Op 28 januari 2022 heeft de Onderwijsinspectie geoordeeld dat er sprake is geweest van (financieel) wanbeheer bij de school. De Onderwijsinspectie heeft het bestuur van de school in dat kader aanvullende herstelopdrachten meegegeven. 2.4 Op 7 juni 2022 is de bestuurder van de rechtsvoorganger van PVO, die tot die dag enig bestuurder was, onder druk van de minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs (hierna: de minister) afgetreden en zijn er nieuwe (interim) bestuurders en interne toezichthouders aangesteld bij de rechtsvoorganger van PVO. Zij zijn vervolgens op verschillende momenten en ten laatste op 1 augustus 2023 weer uit functie getreden (zie hierna). Op 7 juni 2022 heeft de minister de Tweede Kamer per brief geïnformeerd over zijn inspanningen een vervangend bestuur aan te stellen bij de stichtingen die de toenmalige PVO-scholen in stand hielden, waaronder de stichting die de school in stand hield. De minister heeft in zijn brief onder meer geschreven: “Ik verwacht van het nieuwe bestuur dat het de financiën van de scholen op orde brengt, en dat het zorgt voor herstel van de kwaliteit van het onderwijs op de punten waar dat nodig is.” 2.5 Op 8 juli 2022 heeft de minister ingevolge zijn voorgenomen besluit van 15 april 2022 besloten om € 2.590.514 aan onrechtmatige bestedingen te zullen terugvorderen van de school. De feitelijke terugvordering heeft nog niet plaatsgevonden. 2.6 Op 30 september 2022 heeft de Onderwijsinspectie geoordeeld dat de kwaliteit van het onderwijs op de school, ondanks enige verbetering nog steeds zeer zwak was. 2.7 Op 30 december 2022 zijn de rechtsvoorgangers van PVO juridisch gefuseerd in de huidige stichting (PVO). 2.8 Op 16 maart 2023 zijn er twee nieuwe leden toegetreden tot de raad van toezicht van PVO (hierna: de RvT): mevrouw [A] en de heer [B] . 2.9 Op 23 maart 2023 heeft de Onderwijsinspectie in een onderzoek dat specifiek zag op de toetsing en afsluiting binnen de school geconstateerd dat deze niet zorgvuldig verliepen en dat de kwaliteit van de schoolexaminering niet geborgd was. Aanleiding voor dit onderzoek waren signalen over tekortkomingen in de cijferregistratie en de daaruit voorkomende vraag of leerlingen alle schoolexamens op tijd zouden kunnen afronden en aan het eindexamen zouden kunnen deelnemen. 2.10 Op 7 september 2023 zijn twee nieuwe leden toegetreden tot de RvT: de heer [C] en de heer [D] . 2.11 Op 1 augustus 2023 heeft de RvT een nieuwe bestuurder bij PVO benoemd: mevrouw [E] (hierna: [E] ). 2.12 Op 2 november 2023 heeft de minister aangekondigd de bekostiging van de school per 1 augustus 2024 te staken, indien de onderwijskwaliteit opnieuw als ‘zeer zwak’ wordt beoordeeld. 2.13 Op 21 december 2023 heeft de Onderwijsinspectie – naar aanleiding van een derde herstelonderzoek – geoordeeld dat er verbetering zichtbaar is. De Onderwijsinspectie heeft de kwaliteit van het onderwijs van de afdelingen havo en vwo van de school (op vijf van de zeven onderzochte standaarden) als ‘onvoldoende’ beoordeeld (een beoordeling die beter is dan ‘zeer zwak’). 2.14 Op 18 januari 2024 heeft de minister een kamerbrief gestuurd naar aanleiding van dit laatste rapport. In deze brief stond onder meer het volgende: "Voor Pvo Amsterdam is er geen juridische grondslag om de bekostiging te beëindigen omdat de school het eindoordeel onvoldoende heeft gekregen. De school zal echter naar verwachting niet aan de opheffingsnorm gaan voldoen. Daarom werkt het bestuur ook voor deze school aan een afbouwproces, waarbij de leerlingen per 1 augustus 2024 hun onderwijs kunnen voortzetten op een andere school." 2.15 Eveneens op 18 januari 2024 heeft PVO een brief gestuurd aan de ouders van de leerlingen van de school. PVO schrijft onder andere: “De school kan niet zelfstandig doorgaan Door te weinig leerlingen en onvoldoende kwaliteit van onderwijs is het bestuur voornemens om ervoor te zorgen dat de leerlingen van Pvo Amsterdam vanaf 1 augustus 2024 onderwijs krijgen op een andere school. Tot die tijd krijgt uw kind gewoon les bij Pvo Amsterdam. (…) Een andere school voor uw zoon of dochter Vanaf het nieuwe schooljaar gaat uw kind naar een andere school. Pvo Amsterdam zorgt voor een warme overdracht van uw kind naar die andere school. (…) Wacht u rustig af, u krijgt uiterlijk 26 januari bericht Uiterlijk 26 januari a.s. verwachten de schoolbesturen meer duidelijkheid te kunnen geven. Pvo Amsterdam informeert u hierover.” 2.16 Op 19 januari 2024 hebben de ouders van de leerlingen een bericht ontvangen van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad van PVO (hierna: de GMR), waarin de GMR laat weten dat hij niet bij de besluitvorming over de schoolsluiting betrokken is geweest. 2.17 Op 22 januari 2024 heeft PVO een ouderbijeenkomst georganiseerd. Tijdens deze bijeenkomst heeft de bestuurder van PVO mondeling een toelichting gegeven op het besluit om de school - vrijwillig - te sluiten. De RvT was hier ook bij aanwezig. 2.18 Op 25 januari 2024 heeft PVO alle medewerkers een brief gestuurd over de onderwijskwaliteit en leerlingenaantallen bij haar acht scholen. PVO schrijft daarin dat vijf PVO-scholen niet zelfstandig verder kunnen gaan. Met betrekking tot de school schrijft zij: “Amsterdam: inspectieoordeel tweemaal zeer zwak, nu onvoldoende. Heeft ca. 250 leerlingen. De leerlingen van Pvo Amsterdam worden zorgvuldig begeleid. Het scenario moet nog verder worden uitgewerkt.” 2.19 Op 30 januari 2024 heeft de MR de ouders en verzorgers van leerlingen van de school een brief gestuurd waarin hij schrijft niet betrokken te zijn geweest bij het besluit. 2.20 Op 12 februari 2024 heeft [E] de MR onder meer het volgende laten weten: “(…). Op 16 februari a.s. ontvangen jullie van mij het voorgenomen besluit met betrekking tot de vestiging in Amsterdam, met de vraag om daar de wettelijke inspraak op uit te oefenen. Ik nodig jullie als MR van Amsterdam in dit kader graag uit voor een overleg in de week van 26 februari (…).” 2.21 Op 13 februari 2024 heeft de MR een verzoekschrift bij de commissie ingediend. In zijn verzoekschrift heeft de MR, in overeenstemming met artikel 34 lid 3 van de Wet medezeggenschap op scholen (Wms) het advies verstrekt dat hij zou hebben gegeven indien PVO daarom zou hebben gevraagd: “advies van de MR 31. De MR is ervan overtuigd dat door het niet of niet geheel volgen van het advies zoals hierboven beschreven de belangen van de school en van de MR ernstig worden geschaad. 32. De MR is van mening dat – ook indien het advies van de MR zou zijn meegenomen – er onvoldoende argumenten zijn aangevoerd om te concluderen dat het bevoegd gezag door het niet of niet geheel volgen van het advies van de MR, bij afweging van alle betrokken belangen toch in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen (zie ook artikel 34 lid 5 WMS).” 2.22 p 16 februari 2024 heeft (het bestuur van) PVO haar voorgenomen besluit, met daarin een aanleiding, analyse van de mogelijkheden en een (belangen)afweging, met de MR gedeeld. Op basis van hetgeen daarin is uiteengezet, heeft (het bestuur van) PVO het voornemen te besluiten tot: “verkenning van de mogelijkheid tot overdracht van Pvo Amsterdam (31FG) aan een ander schoolbestuur met als streefdatum 1 augustus 2024 en wanneer overdracht niet haalbaar blijkt, opheffing van Pvo Amsterdam (31FG) met streefdatum 1 augustus 2024.” 2.23 Op 1 maart 2024 is de heer [D] afgetreden als lid van de RvT. Op dezelfde dag is [E] door de RvT geschorst. De RvT, nog bestaande uit drie leden, heeft vanaf dat moment tijdelijk zelf voorzien in het bestuur van PVO. 2.24 Op 1 maart 2024 heeft de MR aan PVO om (aanvullende) informatie gevraagd. 2.25 Op 4 maart 2024 heeft de MR de commissie verzocht om een versnelde behandeling van de zaak omdat PVO inmiddels bezig was uitvoering te geven aan (de voorbereiding van) het besluit de school per 1 augustus 2024 te sluiten. De commissie heeft op 12 maart 2024 laten weten dat de zittingsdatum van 22 april 2024 niet wordt vervroegd, maar dat indien ter zitting blijkt van een spoedeisend belang, de commissie binnen twee weken uitspraak kan doen. 2.26 Op 18 maart 2024 heeft PVO in een brief aan ouders/leerlingen geschreven dat leerlingen die zich voor 1 april 2024 inschrijven bij een andere school voor het volgende schooljaar voorrang krijgen op andere zij-instromers en dat de mogelijkheid om leerlingen met voorrang elders te plaatsen na 1 april 2024 vervalt. PVO heeft daaraan toegevoegd dat als de uiteindelijke besluitvorming niet leidt tot overdracht of sluiting van de school, de ouders de inschrijving van hun kind(eren) op de nieuwe school in een later stadium weer kunnen intrekken, maar dat aanmelden in een later stadium veel lastiger is. 2.27 Op 21 maart 2024 heeft de MR onder verwijzing naar de brief van PVO van 18 maart 2024 de commissie opnieuw verzocht om een versnelde behandeling van de zaak omdat ‘de trein onverminderd voort dendert’. De commissie heeft daar niet in bewilligd. 2.28 Op 22 maart 2024 heeft een vergadering van de RvT plaatsgevonden. Tijdens deze vergadering is besloten om per 25 maart 2024 een interim bestuur bij PVO benoemen (tot en met 31 juli 2024), bestaande uit mevrouw [F] en de heer [G] . 2.29 Op 11 april 2024 heeft PVO een sociaal plan dat met de vakbonden is afgesproken ter instemming voorgelegd aan de GMR. Diezelfde dag heeft de MR aan PVO opnieuw om (aanvullende) informatie gevraagd. 2.30 Op 16 april 2024 heeft BMC Advies B.V. (hierna: BMC) een in opdracht van de MR uitgevoerde studie naar de haalbaarheid van de opheffing van de school afgerond. BMC heeft hierin bevindingen uiteengezet met betrekking tot (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.