GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team III (familie- en jeugdrecht) zaaknummer : 200.315.080/01 zaaknummer rechtbank : C/15/312254 / HA ZA 21-38 arrest van de meervoudige familiekamer van 11 juni 2024 inzake [de man] , wonend te [plaats A] , gemeente [gemeente] , appellant, advocaat: mr. P. Wieringa te Zaandam, tegen [de vrouw] , wonend te [plaats B] , geïntimeerde, advocaat: mr. P.K. de Blieck-Willemsen te Vaassen. 1Het geding in hoger beroep 1.1 Partijen worden hierna [de man] en [de vrouw] genoemd. [de man] is bij dagvaarding van 1 juni 2022 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 2 maart 2022, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [de vrouw] als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en [de man] als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie. Op 31 augustus 2022 heeft het hof een rolbeslissing genomen inhoudende dat partijen zich bij de memorie van grieven en de memorie van antwoord dienen uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven tevens akte wijziging eis met producties; - memorie van antwoord tevens houdende vermeerdering van eis met producties; - akte uitlating aan de zijde van [de man] van 31 januari 2023; - antwoordakte aan de zijde van [de vrouw] van 24 februari 2023. Ten slotte is arrest gevraagd. 1.2 [de man] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad: - de vorderingen van [de vrouw] , voor zover in eerste aanleg toegewezen, alsnog zal afwijzen, althans haar in die vorderingen alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren; -zal verklaren voor recht dat [de man] een vergoedingsrecht ad € 19.271,23 toekomt in verband met de door hem gepleegde en uit privévermogen betaalde investeringen in de woning aan de [A-straat] te [plaats A] ; - [de vrouw] zal veroordelen tot betaling aan [de man] van het bedrag ad € 19.271,23, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de memorie van grieven, derhalve vanaf 8 november 2022, althans vanaf de datum vanaf de betekening van het te dezen te wijzen arrest; - [de vrouw] zal veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen, althans vanaf een door het Gerechtshof redelijk geachte termijn, na het te dezen te wijzen arrest, indien en voor zover [de vrouw] deze kosten niet voordien heeft voldaan; - [de vrouw] zal veroordelen tot terugbetaling aan [de man] van al hetgeen door [de man] op grond van het vonnis, waarvan thans beroep, is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling door [de man] , tot aan de dag van terugbetaling; - [de vrouw] zal veroordelen in de gebruikelijke nakosten van beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente. 1.3 [de vrouw] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [de man] in het hoger beroep en tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank, met veroordeling van [de man] in de kosten van de beide procedures inclusief nakosten. Bij vermeerdering van eis heeft [de vrouw] gevorderd dat het hof - uitvoerbaar bij voorraad -: - [de man] zal veroordelen tot betaling aan [de vrouw] van het geldbedrag van €11.367,15, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de memorie van antwoord, derhalve 19 december 2022, althans vanaf de datum vanaf de betekening van het nog te wijzen arrest. 2Feiten 2.1 Het hof gaat uit van de feiten die de rechtbank in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.5 heeft vastgesteld, waarvan de juistheid tussen partijen niet in geschil is. Die feiten zijn, aangevuld met andere vaststaande feiten, de volgende. 2.2 Partijen zijn op 1 januari 1991 gaan samenwonen. Op 30 juni 1994 hebben partijen bij notariële akte een samenlevingscontract gesloten. 2.3 Eveneens op 30 juni 1994 is aan partijen geleverd de woning gelegen aan de [A-straat] te [plaats A] , hierna ook te noemen: de woning. Partijen verkregen ieder een gelijk aandeel in de woning. De koopsom bedroeg fl. 205.000,-. De woning is door partijen belast met een hypothecaire inschrijving bij de SNS Bank ter hoogte van (laatstelijk) € 192.000,-. 2.4 In het kader van een mediationtraject hebben partijen op 7 november 2018 met betrekking tot de woning tussentijdse afspraken gemaakt. Deze afspraken boden [de man] tot 1 januari 2022 de gelegenheid om te onderzoeken of het voor hem mogelijk zou zijn het aandeel van [de vrouw] in de woning over te nemen. Deze afspraken hebben niet geleid tot verdeling van de woning. 2.5 [de vrouw] is daarna de procedure bij de rechtbank gestart om tot een verdeling van de woning te komen. [de vrouw] heeft in die procedure ook gevorderd dat [de man] de helft van de bij de Regiobank opgebouwde pensioenspaarpot aan [de vrouw] doet toekomen. In reconventie heeft [de man] vorderingen ingesteld die zien op door hem gestelde investeringen in de woning. Omdat [de man] in de procedure bij de rechtbank niet heeft aangetoond dat hij het aandeel van [de vrouw] in de woning kon overnemen, heeft de rechtbank in het bestreden vonnis geoordeeld dat de woning verkocht dient te worden aan een derde partij. Dit onder de bepaling dat het vonnis in de plaats wordt gesteld van de ontbrekende wilsovereenstemming van [de man] in het geval hij niet mocht meewerken aan de verkoop en levering van de woning aan een derde. Over de pensioenspaarpot bij de Regiobank heeft de rechtbank overwogen dat dit een spaarvoorziening betreft. De rechtbank heeft -samengevat- hierover bepaald dat deze spaarvoorziening tussen partijen dient te worden verdeeld. De eis in reconventie van [de man] is door de rechtbank afgewezen omdat [de man] tegenover de betwisting door [de vrouw] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er wat te verrekenen valt. 2.6 Nadat de rechtbank het bestreden vonnis heeft gewezen is er overleg tussen partijen geweest over de vraag of [de man] de woning wellicht toch zou kunnen overnemen. Dit overleg heeft ertoe geleid dat de woning bij akte van 6 december 2022 is verdeeld waarbij het aandeel van [de vrouw] in de woning bij akte van eveneens 6 december 2022 aan [de man] is geleverd. De woning is voor een waarde van € 550.000,- in de verdeling betrokken. Wegens overbedeling heeft [de man] ten tijde van de levering een bedrag van € 179.000,- aan [de vrouw] voldaan. 3Beoordeling Ontvankelijkheid van het hoger beroep 3.1 In het bestreden vonnis is onder meer bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte. Uit de stukken in hoger beroep blijkt niet dat het hoger beroep conform de eis van artikel 3:301 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) binnen 8 dagen na het instellen daarvan is ingeschreven in het rechtsmiddelenregister als bedoeld in artikel 433 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dit leidt in beginsel tot (gedeeltelijke) niet-ontvankelijkheid van [de man] in het hoger beroep. Bij rolbeslissing van 31 augustus 2022 is bepaald dat partijen zich dienen uit te laten over de ontvankelijkheid. Partijen hebben dit gedaan in hun memories. 3.2 Het onderdeel van het vonnis waarbij door de rechtbank is bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van de ontbrekende wilsverklaring van [de man] heeft betrekking op de verkoop en levering van de woning. In het dictum van het vonnis zijn daarover onder punt 5.1 t/m 5.8 beslissingen opgenomen. Omdat de woning inmiddels in onderling overleg tussen partijen is verdeeld en de financiële afwikkeling van deze verdeling is afgerond, heeft het vonnis van de rechtbank voor zover het de verkoop van de woning betreft voor partijen geen belang meer. Het hof zal [de man] niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dat ziet op beslissingen van de rechtbank over de verkoop en levering van de woning. De in de plaatstelling van het vonnis heeft geen betrekking op de overige onderwerpen die aan het hof ter beoordeling zijn voorgelegd en [de man] is voor het overige dan ook ontvankelijk in zijn hoger beroep. 3.3 [de man] is met drie grieven opgekomen tegen het vonnis van de rechtbank. Grief 3 behoeft door het hof niet te worden beoordeeld omdat deze grief ziet op de beslissingen van de rechtbank ter zake de woning. Voor grief 1 en grief 2 geldt dat [de vrouw] verweer heeft gevoerd dat voor zover van belang aan de orde zal komen. Grief 1 - investeringen in de woning 3.4 In grief 1 klaagt [de man] erover dat de rechtbank zijn reconventionele vordering ter zake van de investeringen in de woning heeft afgewezen. Onder overlegging van facturen die zien op de jaren 2010 t/m 2013 stelt [de man] dat hij per saldo een bedrag van € 39.422,46 uit zijn privévermogen heeft geïnvesteerd in de woning. Het betreft kosten die zijn gemaakt ten behoeve van een zij-aanbouw/uitbouw. Uit artikel 3:172 BW vloeit volgens [de man] voort dat hij voor een bedrag van € 19.721,23 een vergoedingsrecht heeft jegens [de vrouw] . 3.5 [de vrouw] stelt zich samengevat op het standpunt dat zij nooit heeft ingestemd met verbouwingen aan de woning. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 10 mei 2019 (ECLI:NL:HR:2019:707) is [de vrouw] van mening dat aan [de man] geen vergoedingsrecht toekomt. [de vrouw] voert verder aan dat het samenlevingscontract van 30 juni 1994 geen grondslag biedt voor de door [de man] gestelde vergoedingsrechten. 3.6 Het beroep dat [de vrouw] doet op de uitspraak van de Hoge Raad van 10 mei 2019 gaat niet op. In die zaak ging het om samenwoners zonder samenlevingsovereenkomst, waarbij de vrouw geld had geïnvesteerd in de woning die volledig in eigendom toebehoorde aan de man. De feiten in onderhavige zaak liggen anders, immers het gaat om kosten gemaakt ten behoeve van een woning die gezamenlijk eigendom van [de man] en [de vrouw] was. 3.7 De woning werd op 30 juni 1994 aan [de man] en [de vrouw] geleverd. De woning behoorde hen gezamenlijk in gelijke aandelen toe. De woning vormde voor [de man] een eenvoudige gemeenschap in de zin van artikel 3:166 e.v. BW. Partijen zijn het erover eens dat in het samenlevingscontract van eveneens 30 juni 1994 geen afspraken zijn opgenomen die zien op vergoeding van investeringen met privévermogen in gemeenschappelijke goederen, zodat het hof dat ook als uitgangspunt neemt. 3.8 [de man] heeft in de procedure in hoger beroep zijn vordering gebaseerd op artikel 3:172 BW. In zijn akte uitlating onder randnummer 30 geeft [de man] uitdrukkelijk aan dat zijn vordering niet is gebaseerd op de werking van de redelijkheid en de billijkheid ex artikel 6:2 BW. Artikel 3:172 BW biedt geen ruimte voor vergoeding van de door [de man] gestelde verbouwingskosten. Dat artikel bepaalt dat, tenzij een regeling anders bepaalt, deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen delen in de vruchten en andere voordelen die het gemeenschappelijk goed oplevert en zij in dezelfde evenredigheid moeten bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen welke bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht. Aan ‘ten behoeve’ moet in dit verband in ieder geval de betekenis ‘tot behoud/ instandhouding’ toegekend worden (HR 11 oktober 1991, NJ 1992/600). Het hof is van oordeel dat de kosten van de verbouwing, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet kunnen worden aangemerkt als kosten tot behoud/ instandhouding van de woning. Het beroep van [de man] op art. 3:172 BW slaagt derhalve niet. Andere gronden heeft hij niet aangevoerd. Hieruit volgt dat grief 1 van [de man] faalt. 3.9 Grief 2 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de rekening bij de Regiobank als een gemeenschappelijk goed moet worden beschouwd en dat de rechten/het saldo op de rekening verdeeld moet(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.