GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) Uitspraak: 23 januari 2024 Zaaknummers: 200.317.645/01 en 200.317.652/01 Zaaknummers eerste aanleg: C/13/705159 / FA RK 21-4613 en C/13/713384 / FA RK 22-690 In de zaak met zaaknummer 200.317.645/01 [de vrouw] , wonende te [plaats A] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. M. Amrani te Amsterdam, tegen [de man] , wonende te [plaats A] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. S. Bouddount te Weesp. In de zaak met zaaknummer 200.317.652/01 [de man] , wonende te [plaats A] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. S. Bouddount te Weesp, tegen [de vrouw] , wonende te [plaats A] , verweerster in principaal hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. M. Amrani te Amsterdam. 1Het verloop van de procedure in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van de procedure in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 13 juli 2022, uitgesproken onder voormelde zaaknummers. 2De procedure in hoger beroep In de zaak met zaaknummer 200.317.645/01 2.1 De vrouw is op 12 oktober 2022 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 13 juli 2022 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank). 2.2 De man heeft op 25 januari 2023 een verweerschrift ingediend. 2.3 Het hof heeft verder de volgende stukken ontvangen: - een bericht van de zijde van de man van 27 april 2023 met bijlagen; - een bericht van de zijde van de man van 16 mei 2023 met bijlage; - een bericht van de zijde van de man van 24 juli 2023 met bijlagen; - een bericht van de zijde van de man van 26 juli 2023 met bijlage. In de zaak met zaaknummer 200.317.652/01 2.4 De man is op 12 oktober 2022 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 13 juli 2022 van de rechtbank, uitgesproken onder voormelde zaaknummers. Het beroepschrift bevat ook een verzoek tot schorsing van de werking van die beschikking. 2.5 De vrouw heeft op 26 januari 2023 een verweerschrift ingediend in het hoger beroep en in het incident. 2.6 [kind 1] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot de kinderalimentatie, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt. 2.7 De mondelinge behandeling in beide zaken heeft op 3 augustus 2023 plaatsgevonden. Verschenen zijn: - de advocaat van de vrouw; - de man, bijgestaan door zijn advocaat en M. Kala, tolk in de Berberse taal. 3De feiten 3.1 Partijen zijn [in] 1996 met elkaar gehuwd te [plaats B] , Marokko. 3.2 Bij beschikking van 25 mei 2022 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 1 september 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.3 De kinderen van partijen zijn: - [kind 1] , geboren [in] 2005 te [plaats A] ; - [kind 2] , geboren [in] 2008 te [plaats A] (hierna gezamenlijk ook: de kinderen). 3.4 Dit hof heeft bij beschikking van 7 februari 2023 het verzoek van de man tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bij de bestreden beschikking bepaalde kinder- en partneralimentatie, afgewezen. 4.Het geschil in hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.317.645/01 (verdeling) 4.1 In de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt vastgesteld: - de bij de man in gebruik zijnde personenauto wordt aan de man toegedeeld, onder verrekening van de waarde van de auto per datum van de beschikking met de vrouw; - partijen dienen de inboedelgoederen in onderling overleg met gesloten beurzen te verdelen; - de banksaldi van partijen per peildatum worden gelijkelijk gedeeld c.q. bij een negatief saldo gelijkelijk gedragen; - ieder van partijen is voor de helft draagplichtig voor de in de periode van 2009 tot 19 juli 2021 ontstane schulden. 4.2 De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover daarbij het verzoek van de vrouw te bepalen dat zij recht heeft op de helft van de waarde (of verkoopopbrengst) van de onroerende goederen in Marokko, is afgewezen en: - te bepalen dat de man aan de vrouw de helft van de verkoopopbrengst van de onroerende goederen in Marokko zal betalen, zijnde € 398.505,-; - te bepalen dat uitsluitend de man draagplichtig zal zijn voor de schulden genoemd bij randnummer 21 en 22 van haar beroepschrift; - de man te veroordelen om alle originele bankafschriften over de jaren 2021 en 2022 van de bankrekeningen bij Attijariwafa bank, met nummers [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] , over te leggen c.q. aan de vrouw af te geven; - de man een dwangsom van € 200,- per dag op te leggen voor elke dag die hij na de datum van de ten deze te wijzen beschikking nalatig blijft met de overlegging / afgifte van alle gevraagde originele bankafschriften; - althans zodanig te beslissen als het hof in goede justitie juist acht. 4.3 De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep dan wel het hoger beroep van de vrouw af te wijzen. in de zaak met zaaknummer 200.317.652/01 (alimentatie) 4.4 Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, bepaald dat de man € 91,- per maand per kind dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarigen, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Verder is bepaald dat de man € 500,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. 4.5 De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking voor zover het de vastgestelde partner- en kinderalimentatie betreft, te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen met ingang van 1 september 2022 een bedrag van € 50,- per maand voor beide kinderen bij vooruitbetaling aan de vrouw zal voldoen. 4.6 De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep dan wel het hoger beroep van de man af te wijzen. 5.Beoordeling van het hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.317.645/01 (verdeling) 5.1 Bij beschikking van 25 mei 2022 heeft de rechtbank vastgesteld dat partijen in de periode van 6 augustus 1996 tot het jaar 2009 naar Marokkaans huwelijksvermogensrecht waren gehuwd, welk recht in beginsel een algehele scheiding van goederen kent. Vanaf 2009 tot (de peildatum van) 19 juli 2021 is het Nederlands huwelijksvermogensrecht van toepassing en waren partijen naar Nederlands recht in een algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Voor zover de vrouw met haar eerste grief hiertegen heeft willen opkomen, acht het hof die grief onvoldoende onderbouwd. Het oordeel van de rechtbank is juist en het hof verenigt zich daarmee. 5.2 De vrouw stelt met haar eerste grief aan de orde dat de rechtbank ten onrechte niet heeft bepaald dat de vrouw een vergoedingsrecht toekomt op grond van artikel 49 Mudawanna. Voor zover komt vast te staan dat partijen in de periode van 6 augustus 1996 tot 2009 naar Marokkaans recht in een algehele scheiding van goederen waren gehuwd, meent de vrouw dat zij op grond van artikel 49 Mudawanna recht op de helft van de waarde(vermeerdering) van het reeds door de man verkochte perceel grond en de woning met grond. De vrouw was gedurende het huwelijk belast met het huishouden en de zorg voor de kinderen en de man. Daarmee heeft de vrouw haar deel van de inspanningen geleverd en heeft zij recht op de helft van de waarde van de onroerende goederen. Tijdens het huwelijk mocht de vrouw van de man geen opleiding volgen en evenmin mocht zij werken. De vrouw heeft geen banden kunnen opbouwen met de Nederlandse samenleving en de Nederlandse arbeidsmarkt. De vrouw is door toedoen van de man afhankelijk van een bijstandsuitkering. De man heeft geen lening afgesloten voor de financiering van het onroerend goed. De leningen zijn pas tien jaar na de aankoop aangegaan, met als doel de vrouw te benadelen in haar recht op een deel van het vermogen. Er is geen sprake van daadwerkelijke leningen, aldus de vrouw. De man heeft tijdens vrijwel het gehele huwelijk een WAO-uitkering genoten, terwijl de man daarnaast zwart werkte. Met de verschillende inkomsten heeft de man het perceel grond en de woning in Marokko kunnen kopen. De vrouw komt de helft van de waarde toe, een bedrag van € 398.505,00. 5.3 De man heeft als verweer aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een totale waarde van de onroerende zaken van circa € 800.000,-; de onroerende zaken zijn € 289.720,80 waard, aldus de man. De man verwijst naar hetgeen hij in zijn beroepschrift in de zaak 200.317.652 onder grieven II, III en IV aan de orde stelt. De man geeft in de toelichting op deze grieven een nadere berekening van de waarde, aan de hand van een omrekening van de verkoopprijs in Marokkaanse Dirham naar euro’s. 5.4 Het hof overweegt dat in hoger beroep niet in debat is de vaststelling door de rechtbank dat de man de onroerende zaken in 2006 heeft verkregen. Zoals hiervoor is overwogen dient op deze onroerende zaken het Marokkaans huwelijksvermogensrecht te worden toegepast. Daarmee is uitgangspunt dat de onroerende zaken aan de man toebehoorden. De vrouw maakt (ook) in hoger beroep aanspraak op een aandeel van de waarde van de onroerende zaken, op grond van artikel 49 Mudawanna. De rechtbank heeft zich bij de toepassing van genoemd artikel gebogen over de vraag of er sprake is geweest van vermogensaanwas tijdens het huwelijk. De rechtbank is daarvan uitgegaan, waarbij zij voorbijging aan het verzoek van de man hierover nadere gegevens in het geding te brengen. Niettemin heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw afgewezen. De rechtbank heeft de opvolgende vraag, te weten of de vrouw heeft bijgedragen in de vermogensaanwas, ontkennend beantwoord omdat de vrouw daarvoor onvoldoende had gesteld. 5.5 Het hof komt ook tot de slotsom dat het verzoek van de vrouw dient te worden afgewezen, zij het op een andere grond. Het hof gaat ervan uit dat geen sprake is geweest van vermogensaanwas. Het hof overweegt daartoe dat de man terecht aanvoert dat de waarde in euro’s van de onroerende zaken in Marokko zoals de rechtbank heeft vastgesteld, niet juist is. Verkoop van het perceel grond door de man op 28 juni 2021 leverde 1,1 miljoen Dirham op, hetgeen tegen die datum omgerekend een waarde van € 99.770,- vertegenwoordigde. Verkoop van het appartement voor 2 miljoen Dirham op 17 december 2021 leverde tegen die datum een opbrengst op van omgerekend € 183.256,-. Daarmee kan de opbrengst van de verkoop van deze onroerende zaken in Marokko worden vastgesteld op het door de man in zijn verweerschrift opgevoerde bedrag. Van belang is vervolgens hoe de financiering van de onroerende zaken heeft plaatsgevonden. De man heeft sinds 1996 een inkomen gehad uit een WAO-uitkering. De vrouw stelt dat de man daarnaast (zwart) inkomen heeft gehad, maar de man heeft dat betwist en er liggen geen nadere stellingen of gegevens voor op grond waarvan het hof tot de vaststelling kan komen dat de man inkomen heeft gehad naast de uitkering voor arbeidsongeschiktheid. Gelet op het beperkte inkomen van de man, is aannemelijk dat de man de aanschaf van de onroerende zaken heeft bekostigd met behulp van geld dat hij heeft geleend. De man heeft in dit verband bij akte van 28 april 2023 aanvullende producties genummerd 10 tot en met 24 in het geding gebracht, waarvan de gegevens ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep nader zijn besproken. De productie 10 is de vertaling van een schuldbekentenis van de man aan de [naam 1] van in totaal 1.550.000,- Dirham. De man heeft toegelicht dat hij onder meer een bedrag van 500.000,- Dirham als schuld aan [naam 1] heeft erkend, vanwege de aanschaf van een perceel grond (met kadastraal nummer [000] ) in [plaats C] . Het betreffende perceel heeft de man, zo blijkt uit de vertaling van de akte van verkoop van 28 juni 2021, aan [naam 1] verkocht voor een bedrag van 1,1 miljoen Dirham, ter gedeeltelijke delging van zijn schuld aan [naam 1] . De man heeft aangegeven dat een schuld aan [naam 1] resteert van 450.000,- Dirham. De man heeft een dagvaarding in het geding gebracht, waarbij [naam 1] aanspraak maakt op betaling van het restant van de schuld. De man heeft als producties 13 tot en met 17 in het geding gebracht de nodige akten waaruit blijkt van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.