afdeling strafrecht parketnummer: 23-003108-23 datum uitspraak: 8 augustus 2024 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 14 november 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-086519-22 tegen [verdachte] , geboren te Amsterdam op [geboortedatum] 2001, [detentieadres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juli 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof: de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen vervangt door de bewijsmiddelen die na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de aanvulling op dit arrest; in de strafmotivering de tweede tot en met de vierde alinea op blad 6 van het vonnis (“De officier van justitie heeft […] het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf”) vervangt door de navolgende overwegingen; de motivering ten aanzien van de toegewezen vordering benadeelde partij vervangt door de navolgende overweging; en het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opheft met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde straf. Vervangende overweging in Motivering van de sanctie De advocaat-generaal heeft gevorderd om aan de verdachte, naast een gevangenisstraf van 18 maanden, de maatregel tot terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (hierna: de tbs-maatregel) op te leggen. Het hof overweegt daarover als volgt. De tbs-maatregel kan door de rechter worden opgelegd indien is voldaan aan de in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden. Eén van die voorwaarden houdt in dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel vereist. Volgens de rapporteurs van het Pieter Baan Centrum (hierna: het PBC), die op 27 februari 2023 een rapport hebben opgesteld, is er – doordat zij geen stoornis konden vaststellen – vanuit gedragsdeskundig oogpunt geen grond om een risicoanalyse of -prognose te geven ten aanzien van recidive in eenzelfde soort (ernstig gewelds-)delict, noch om (behandel-)interventies te adviseren gericht op het terugdringen van de recidivekans. Uit het onderzoek in het PBC en ook overigens uit het dossier kan niet worden afgeleid dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen actueel de oplegging van een tbs-maatregel vereisen. Het hof zal daartoe dan ook niet overgaan. Uit bovengenoemde rapporten kan niet worden afgeleid dat het bewezenverklaarde in verminderde mate valt toe te rekenen aan de verdachte. Het hof rekent het feit dan ook volledig toe aan de verdachte. Gelet op de hiervoor beschreven ernst van het feit en het levensgevaar dat daardoor is ontstaan, is naar het oordeel van het hof slechts een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden. Overigens zijn bij de verdachte in detentie sinds het vonnis van de rechtbank aanwijzingen voor een positieve gedragsverandering. De verdachte zet zich proactief in om die gedragsverandering ook in het kader van een detentiefasering en na afronding van zijn gevangenisstraf te bestendigen, met behulp van onder meer begeleiding vanuit de Top
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.