GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.324.679/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/714689 / HA ZA 22-196 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 september 2024 in de zaak van [appellant] , wonend te [plaats 1] , appellant, advocaat: mr. Ch.E. Koster te Den Haag, tegen 1MEDIAHUIS NEDERLAND B.V., 2. [geïntimeerde 1] , 3. [geïntimeerde 2] , allen gevestigd respectievelijk wonend te [plaats 2] , geïntimeerden, advocaat: mr. L. Broers te Amsterdam. Partijen worden hierna [appellant] , Mediahuis, [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genoemd. Geïntimeerden tezamen worden aangeduid als De Telegraaf c.s. 1De zaak in het kort [appellant] stelt dat de publicatie op 12 oktober 2006 in De Telegraaf van een artikel met de kop ‘ [appellant] bood AIVD-stukken aan’ onrechtmatig is jegens hem en houdt De Telegraaf c.s. aansprakelijk voor de schade die hij daardoor stelt te hebben geleden. De Telegraaf c.s. hebben zich beroepen op verjaring van de vordering tot schadevergoeding. De rechtbank heeft dit gehonoreerd. Het hof komt tot hetzelfde oordeel. 2Het geding in hoger beroep [appellant] is bij dagvaarding van 22 februari 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 23 november 2022 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en De Telegraaf c.s. als gedaagden. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties. - memorie van antwoord met producties. Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 13 juni 2024 aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen laten toelichten; [appellant] door mr. Koster voornoemd en mr. S.H van Wijk, advocaat te Den Haag, en De Telegraaf c.s. door mr. Broers voornoemd. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zijn vorderingen alsnog zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten met nakosten en rente. De Telegraaf c.s. hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met, uitvoerbaar bij voorraad, beslissing over de proceskosten met nakosten en rente. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 3Feiten De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Samengevat, voor zover relevant rekening houdend met de bezwaren van [appellant] tegen de feitenvaststelling en waar nodig aangevuld, komen de feiten neer op het volgende. 3.1. [appellant] is misdaadverslaggever. Hij is werkzaam geweest voor onder meer De Telegraaf (niet in het tijdvak waarover deze procedure gaat), Playboy, Panorama en Nieuwe Revu. Daarnaast is hij onder meer presentator geweest van misdaadprogramma’s op televisie. 3.2. Mediahuis is de Nederlandse dochter van de rechtsopvolgster van De Telegraaf Media Groep (hierna: TMG die hierna ook als Mediahuis wordt aangeduid), uitgeefster van het dagblad De Telegraaf. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] waren in 2006 werkzaam bij Mediahuis als journalisten voor De Telegraaf. 3.3. Op 21 januari 2006 heeft De Telegraaf in een artikel van de hand van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] onder de kop ‘AIVD-geheimen bij drugsmaffia’ gemeld dat zij in bezit is gekomen van staatsgeheime documenten, afkomstig uit onderzoeken van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (hierna: de AIVD-stukken), die zouden circuleren in het [plaats 2] criminele circuit. 3.4. Naar het lekken van de AIVD-stukken is een opsporingsonderzoek onder de codenaam Oslo ingesteld onder leiding van officier van justitie mr. [naam 1] (hierna: de zaaksofficier). 3.5. Op 8 februari 2006 heeft mr. [naam 2] , die destijds als officier van justitie werkte bij het landelijk parket en geen bemoeienis had met de het Oslo-onderzoek (hierna: [naam 2] ), een proces-verbaal (verder: het proces-verbaal) opgemaakt en aan de zaaksofficier gestuurd. Het proces-verbaal luidt voor zover van belang als volgt: “Ondergetekende (…) verklaart op dinsdag 7 februari 2006 van een persoon, van wie de personalia hem bekend zijn, de volgende informatie te hebben ontvangen: “ [appellant] , freelance journalist, heeft de informatie die is ontvreemd bij de AIVD aangeboden aan het dagblad de Telegraaf. Zij willen niet alles publiceren. Thans biedt [appellant] die informatie aan aan andere media. [appellant] bewaart de AIVD informatie bij hem thuis” 3.6. In de loop van 2006 is in het kader van het Oslo-onderzoek een aantal personen als verdachte aangemerkt. Drie daarvan zijn vervolgd voor het in bezit hebben en lekken van staatsgeheime AIVD-stukken aan onder andere De Telegraaf. Een daarvan is veroordeeld voor het in bezit hebben van deze AIVD-stukken. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zijn als verdachte aangemerkt, maar niet vervolgd. [appellant] is nooit als verdachte aangemerkt. 3.7. Eind september 2006 heeft de zaaksofficier het proces-verbaal toegevoegd aan het strafdossier van het Oslo-onderzoek. 3.8. Op 12 oktober 2006 heeft De Telegraaf het hieronder afgebeelde artikel van de hand van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] gepubliceerd (hierna: het Artikel): ( afbeelding 1) (afbeelding 2) 3.9. De inhoudelijke terechtzittingen in het Oslo-strafproces zijn begonnen op 8 januari 2007. In dit strafproces hebben de verdachten gewezen op het proces-verbaal en een alternatief scenario opgeworpen voor het lekken van de AIVD-stukken waarin [appellant] een rol zou hebben gespeeld. De rechtbank heeft uitvoerig onderzoek laten uitvoeren naar dit alternatieve scenario door het horen van onder meer [naam 2] , [naam 3] (voorheen hoofdofficier van justitie arrondissement Amsterdam), de zaaksofficier, [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] . In het op 22 oktober 2007 door de rechtbank Den Haag gewezen vonnis, dat op 27 augustus 2008 is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:RBSGR:2007:BE9245, is opgemerkt dat “de journalisten [M.] en [De H.], (…) weten van wie zij de betreffende documenten hebben ontvangen en waarschijnlijk ook hoe hun bron(nen) deze heeft/hebben bemachtigd,” en dat zij daarover met een beroep op hun recht op bronbescherming niet hebben willen verklaren. Dit vonnis vermeldt voorts: “102. Bijzondere aandacht in dit strafproces is uitgegaan naar het mogelijke scenario waarin de journalist [Van H.] degene is geweest die staatsgeheime stukken heeft verstrekt aan De Telegraaf. Zoals hierboven reeds is vermeld, is dit scenario onderzocht naar aanleiding van het proces-verbaal van [naam 2] d.d. 8 februari 2006, dat gebaseerd was op een telefonische mededeling aan hem door de oud-hoofdofficier van justitie van Amsterdam [naam 3] op 7 februari 2006. [naam 2] heeft de inhoud daarvan diezelfde dag doorgegeven aan de zaaksofficier van justitie, welke op zijn beurt de mogelijkheid van een doorzoeking in de woning van [Van H.] heeft besproken met de rechtercommissaris, de hoofdofficier van het landelijk parket en het College van procureurs-generaal. 103. De rechtbank komt tot de conclusie dat het onderzoek naar dit scenario geen enkele bevestiging voor de juistheid hiervan heeft opgeleverd maar wel duidelijke indicaties dat [Van H.] niet degene is geweest die de bewuste stukken aan De Telegraaf heeft verstrekt. De getuige [Van H.] heeft ontkend ooit enig stuk van de BVD of AIVD in zijn bezit te hebben gehad. De getuige [M.] heeft ter zitting verklaard dat hij de bewuste stukken heeft overhandigd gekregen door één niet door hem genoemd persoon en tevens dat hij [Van H.] nooit persoonlijk heeft ontmoet. De getuigen [Van den H.] en [L.], beiden genoemd als mogelijke bron van de mededeling die [naam 3] deed aan [naam 2] , ontkennen met [naam 3] te hebben gesproken over BVD/ AIVD-stukken. 104. De rechtbank heeft geen enkele reden te twijfelen aan de verklaringen van [naam 2] (eenmaal ten overstaan van de rechter-commissaris, tweemaal ter terechtzitting) over zijn telefoongesprek met [naam 3] op 7 februari 2006. Zij gaat er dan ook vanuit dat [naam 3] aan [naam 2] de mededeling heeft gedaan welke is neergelegd in diens proces-verbaal van 8 februari 2006. [naam 3] heeft dit ook niet ontkend, maar tevens verklaard hieraan geen enkele herinnering te hebben. (…)” Het vonnis van de rechtbank Den Haag is bij arrest van 24 juni 2009 bekrachtigd door het gerechtshof Den Haag die oordeelde dat geen van de ‘alternatieve scenario’s’ enig begin van concrete onderbouwing in het strafdossier vinden. 3.10. Over het verloop van het Oslo-strafproces, vooral over de gehoorde getuigen bij het onderzoek naar het proces-verbaal en het daarop gebaseerde alternatieve scenario is in de loop van 2007 in de media gepubliceerd. De Telegraaf heeft daaraan op 13 april 2007 aandacht besteed, en bijvoorbeeld het NRC Handelsblad op 27 maart 2007. 3.11. Op 30 september 2011 is een boek gepubliceerd over de hoofdverdachte in het Oslo-strafproces. In dat boek is het volgende citaat van [appellant] opgenomen over de publicatie van het krantenartikel en het daaraan voorafgaande telefoongesprek met [geïntimeerde 1] : “’Ik vroeg [geïntimeerde 1] toen of het ging om de documenten die hij en [geïntimeerde 2] in hun bezit hadden gehad en waarover ze hadden gepubliceerd. Toen hij zei dat dat klopte vroeg ik hem waarom hij mij had gebeld, ze hadden immers die stukken toch zelf en kenden hun eigen bron. Ik zei: “Je weet toch dat ik ze niet aan jullie heb gegeven.” [geïntimeerde 1] vertelde dat het was ter verificatie. Ik zei toen tegen hem: “Ter verificatie van iets waarvan je al weet dat het niet zo is.” [geïntimeerde 1] bevestigde toen dat hij die stukken niet van mij heeft gekregen.” Twee dagen later stond er een stuk in De Telegraaf met een kop die suggereerde dat ik er wel degelijk iets mee te maken had. Mijn indruk is daarom dat er sprake was van een een-tweetje tussen [naam 2] en De Telegraaf. Welk hoger doel daarmee gediend was weet ik niet’.” 3.12. Eind 2018/begin 2019 zijn [appellant] en een documentairemaker, [naam 4] (hierna: [naam 4] ), een journalistieke samenwerking aangegaan met betrekking tot een documentaire over de gebeurtenissen in 2006. In 2019 heeft [naam 4] [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] geïnterviewd (hierna: het [naam 4] -interview). 3.13. Bij brief van 20 januari 2020 heeft de advocaat van [appellant] De Telegraaf c.s. aansprakelijk gesteld voor de schade van [appellant] als gevolg van de publicatie. In deze brief staat onder meer: “Voor de goede orde: Cliënt is pas medio 2019 - mede door de interviews van en gesprekken met [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] , (…) en vele anderen - in zijn volle omvang bekend geworden met de aansprakelijkheid van TMG en de betrokken journalisten. Derhalve stelt cliënt zich op het standpunt dat de verjaringstermijn ex artikel 3:310 BW pas vanaf dat moment is gaan lopen. Volledigheidshalve wordt de verjaring middels deze brief gestuit. Cliënt meent dat hij slachtoffer is geworden van onzorgvuldig en onverantwoordelijk handelen van De Telegraaf. Cliënt beweert (…) dat De Telegraaf (…) zich vooraf - maar zeker ook achteraf - veel meer rekenschap had moeten geven van de kwetsbare positie van cliënt en de ernstige gevolgen die de publicatie over een reeks van jaren voor hem en zijn naasten zouden hebben. (…) De Telegraaf heeft tegen beter weten in gepubliceerd. (…) De Telegraaf heeft de beschuldigingen (…) bovendien nooit rechtgezet of herroepen. Het onrecht jegens cliënt heeft daardoor nodeloos lang(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.