← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2024:2501

afdeling strafrecht parketnummer: 23-001748-22 datum uitspraak: 22 augustus 2024 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het bij akte beperkt ingestelde hoger beroep, tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 16 juni 2022 in de gevoegde strafzaak onder het parketnummer 13-096397-21 (zaak B) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984, adres: [adres]. Onderzoek ter terechtzitting Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 augustus

  1. Het Openbaar Ministerie heeft blijkens de akte rechtsmiddel van 30 juni 2022 het hoger beroep enkel ingesteld tegen de beslissing van de politierechter tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging in zaak B, feiten 1 en
  2. Nu alleen voor de feiten in de gevoegde zaken met parketnummers 13/090880-21 (zaak A) en 13/030269-22 (zaak C) in eerste aanleg straffen zijn opgelegd en deze feiten reeds bij akte rechtsmiddel buiten het hoger beroep zijn gebleven, zijn de door de politierechter voor die feiten opgelegde straffen (taakstraf van 80 uur subsidiair 40 dagen hechtenis en geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met bijzondere voorwaarden) daardoor reeds op 30 juni 2022 onherroepelijk geworden. Het hof heeft kennisgenomen van hetgeen door de advocaat-generaal en de raadsman naar voren is gebracht. Ontvankelijkheid van de officier van justitie in het hoger beroep Artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt dat de officier van justitie binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur houdende grieven moet indienen. Als van de zijde van het openbaar ministerie geen schriftuur houdende grieven is ingediend, kan ingevolge artikel 416, derde lid, Sv het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard. Die bepaling is mede van toepassing op een geval als het onderhavige, waarin de schriftuur niet tijdig is ingediend (ECLI:NL:HR:2009:BI4078 en Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 12 en p. 36). De officier van justitie heeft op 30 juni 2022, overeenkomstig het bepaalde in artikel 407, tweede lid, Sv, beperkt hoger beroep ingesteld tegen bovengenoemd vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. Voorts heeft de officier van justitie een schriftuur houdende grieven, een zogeheten appelmemorie, gedateerd 13 juli 2022, ingediend welke schriftuur, gelet op de stempel van de centrale balie van de rechtbank Amsterdam, is ontvangen op 19 juli
  3. Aangezien het hoger beroep was ingesteld op 30 juni 2022 is de schriftuur niet binnen de voorgeschreven termijn van 14 dagen na het instellen van het appel ingediend. De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht nu het gaat om een geringe overschrijding in een vakantieperiode en gelet op de ernst van de verdenking en de principiële aard van het hoger beroep. Naar het oordeel van het hof is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Van de officier van justitie mag worden verwacht dat bij wet voorgeschreven termijnen worden nageleefd. Voor het niettemin inhoudelijk behandelen van de onderhavige strafzaak moet het hof vervolgens de vraag beantwoorden of het belang van het hoger beroep zwaarder dient te wegen dan het belang dat is gemoeid met het verbinden van niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep aan het verzuim van het openbaar ministerie om tijdig een appelschriftuur in te dienen. In het onderhavige geval is de appelschriftuur vijf dagen te laat ingediend. Door de advocaat-generaal is ter terechtzitting in hoger beroep geen rechtvaardiging voor de te late indiening aangevoerd. Gelet daarop prevaleert naar het oordeel van het hof het belang van de strafrechtelijke rechtshandhaving in het algemeen en het belang van het beroep in het bijzonder in casu niet boven het belang van sanctionering van het verzuim. Hetgeen van de zijde van het openbaar ministerie omtrent het belang van het appel is aangevoerd maakt dit niet anders. Het hof zal de officier van justitie daarom met toepassing van artikel 416, derde lid, Sv niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep. BESLISSING Het hof: Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. L.F. Roseval en mr. E.C.M. Bouman, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 augustus
  4. mr. E.C.M. Bouman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.