afdeling strafrecht parketnummer: 23-001720-22 datum uitspraak: 5 september 2024 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 24 juni 2022 in de strafzaak onder parketnummer 15-316287-21 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1972, postadres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 augustus 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, in zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken waarvan één week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor de tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren. De raadsvrouw heeft het hof in het kader van de strafmaat verzocht rekening te houden met het tijdsverloop sinds de pleegdatum van de tenlastegelegde feiten, het gegeven dat de verdachte nadien niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen en dat geen sprake is van veelvuldige recidive. Zij heeft het hof verzocht om te volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld een proeftijd van één jaar. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich verzet tegen zijn aanhouding door twee buitengewoon opsporingsambtenaren (verder: BOA’s) en heeft daarbij geweld gebruikt, waardoor beide BOA’s letsel hebben opgelopen. Dit is een ernstig feit omdat het niet alleen het werk van de BOA’s bemoeilijkt, maar hun ook in hun gezag aantast. Bovendien getuigt dergelijk gedrag jegens BOA’s in functie van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling tegen één van de BOA’s. Door zijn handelen heeft de verdachte niet alleen angst bij het slachtoffer veroorzaakt, maar tevens de openbare veiligheid geschaad, hetgeen tot gevoelens van angst en onrust leidt in de samenleving. Gelet op de ernst van de feiten en straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, kan in beginsel een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de rechter in eerste aanleg is opgelegd, alleszins als gerechtvaardigd worden beschouwd. In strafmatigende zin zal het hof echter rekening houden met het tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten en met de omstandigheid dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie sinds het bewezenverklaarde geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Daarbij is het prijzenswaardig dat de verdachte zijn alcoholverslaving zelf onder controle heeft gekregen en sinds drie jaar abstinent is van alcohol. Daarom zal het hof de gevangenisstraf van twee weken geheel in voorwaardelijke vorm opleggen. Daarbij zal het hof de proeftijd beperken tot één jaar. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze ziet op immateriële schade en bedraagt € 250,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.