afdeling strafrecht parketnummer: 23-004397-19 datum uitspraak: 13 augustus 2024 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 november 2019 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-143284-19 en 13-250242-19 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1984, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 juli 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de straf - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof de gronden aanvult en de beslagbeslissingen in stand blijven. Nadere bewijsoverweging Vormverzuim De raadsman heeft, overeenkomstig de inhoud van zijn aan het hof overgelegde pleitnota, vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat het binnentreden en de doorzoeking in de woning van de verdachte onrechtmatig was, omdat geen sprake was van een redelijke vermoeden dat in die woning drugs zou liggen. De enkele TCI-informatie is volgens de raadsman niet voldoende om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van overtreding van de Opiumwet. Er is sprake van een vormverzuim, hetgeen dient te leiden tot bewijsuitsluiting van al het bewijsmateriaal (aangetroffen drugs en geld) dat is gevolgd uit het onrechtmatige binnentreden en daaropvolgende doorzoeken, met inbegrip van de resultaten uit de nadere onderzoekshandelingen (onder andere bankgegevens en de inhoud van een kluis) omdat dit heeft te gelden als ‘fruit of the poisonous tree’. Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt voorop dat indien tijdens het voorbereidend onderzoek sprake is van een onherstelbaar vormverzuim en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, de rechter moet beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg moet worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. De eerste factor is ‘het belang dat het geschonden voorschrift’ dient. De tweede factor is ‘de ernst van het verzuim’. De derde factor is ‘het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt’. Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Van de verdediging die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, mag worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van genoemde drie factoren van artikel 359a Sv wordt aangegeven tot welk in dit artikel omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. Bewijsuitsluiting kan als op grond van artikel 359a, eerste lid, Sv, voorzien rechtsgevolg uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is gekregen en komt uitsluitend in aanmerking indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Wat dat laatste betreft geldt dat een schending van het in artikel 8 EVRM gegarandeerde recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer niet zonder meer een inbreuk oplevert op de in artikel 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces. Het hof is van oordeel dat, voor zover al sprake zou zijn van enig onherstelbaar vormverzuim, door de verdediging niet is gesteld, noch onderbouwd waaruit het daardoor veroorzaakte nadeel voor de verdachte heeft bestaan, anders dan door in algemene termen te stellen dat er sprake is van een ongerechtvaardigde inbreuk ten aanzien van de bescherming van het huisrecht. Het hof verwerpt reeds om die reden het ter zake gevoerde verweer. Witwassen (zaak A feit 2 en zaak B) De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde witwassen. De verdachte betwist dat het op 10 mei 2019 in zijn woning aangetroffen geldbedrag en de contante stortingen in 2018 tot medio 2019 van enig misdrijf afkomstig zijn. Hij heeft hierover een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgelegd. De verdachte heeft een deel van het bedrag verdiend met gokken bij de [casino 1] en [casino 2]. Daarnaast is een deel van het bedrag afkomstig uit het verkopen van Nike-spullen die hij tegen een lagere prijs dan de verkoopprijs bij zijn neef heeft gekocht. Ter onderbouwing van deze verklaring heeft de verdachte stukken overgelegd, waaronder screenshots van WhatsApp-gesprekken en overboekingen van onder andere de [bedrijf]. Tevens heeft de verdachte verklaard geld te sparen voor zijn nichtje. Het hof overweegt als volgt. Ten aanzien van de verklaring van de verdachte dat hij geld verdiende met online gokken en met de handel in Nike-spullen, overweegt het hof als volgt. De stukken die de verdachte heeft overgelegd zien op WhatsApp-gesprekken met verschillende personen die Nike-spullen wensen aan te schaffen en op overschrijvingen van verschillende bedragen vanuit onder andere de [bedrijf] op de rekening van de verdachte. Verder is in de WhatsApp-gesprekken te lezen dat de verdachte zogeheten tikkies stuurt van verschillende bedragen naar personen die Nike-spullen wensen aan te schaffen. Uit de overgelegde stukken volgt weliswaar dat de verdachte in korte periode veel bedragen ontvangt van zowel de WhatsApp-contacten als onder andere de [bedrijf], maar deze stukken verklaren niet de herkomst van de contante stortingen die zijn gedaan in de periode 1 januari 2018 tot en met 13 juni 2019 en het geldbedrag van € 10.415,20 dat in de woning van de verdachte is aangetroffen op 10 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.