GeRechtshof Amsterdam zaaknummer : 200.336.445/02 zaaknummer hoofdzaak : 200.336.445/01 Beslissing van de wrakingskamer van 25 juli 2024 op het wrakingsverzoek van 19 juli 2024 ingediend door [verzoeker 1] , wonende te [plaats A] , en [verzoeker 2] wonende te [plaats B] hierna samen te noemen: verzoekers. 1De procedure 1.
- De hoofdzaak betreft het hoger beroep tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort ‘s-Hertogenbosch van 20 november 2023, waarbij de klacht van verzoekers niet-ontvankelijk is verklaard. 1.
- Op 16 mei 2024 is de hoofdzaak op de zitting behandeld door de raadsheren mrs. A.D.R.M. Boumans, J.H. Lieber en B.J.M. Gehlen (hierna: de raadsheren). Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Verzoekers hebben bij op 19 juli 2024 ingekomen schriftelijk stuk, met bijlagen, de wraking verzocht van de raadsheren. 1.
- De raadsheren hebben de wrakingskamer op 24 juli 2024 per e-mail laten weten dat zij niet berusten in het wrakingsverzoek en dat zij geen behoefte hebben om schriftelijk te reageren op het wrakingsverzoek. 2Het wrakingsverzoek De gronden van het wrakingsverzoek blijken uit het schriftelijke verzoek van 19 juli
- 3De beoordeling Juridisch kader 3.
- Artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) houdt in dat op verzoek van een partij, elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ook van toepassing op de raadsheren die het hoger beroep behandelen. 3.
- Volgens artikel 37, lid 1, Rv moet het verzoek worden gedaan zodra die feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Beoordeling in deze zaak 3.
- Het wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden die daarvoor aanleiding geven aan verzoeker bekend zijn geworden. Na indiening van het verzoek wordt de procedure direct geschorst. Zo wordt voorkomen dat de rechter proceshandelingen verricht gedurende een periode waarvan later wordt vastgesteld dat hij toen niet over de vereiste onpartijdigheid beschikte. Ook is beoogd onnodige vertraging van de procedure te voorkomen. 3.
- De door verzoekers aangevoerde omstandigheden zijn aan hen bekend geworden op of voor de zittingsdatum van 16 mei 2024, met uitzondering van de omstandigheid dat het hof liet weten dat de uitspraak niet in een zittingszaal zal worden voorgelezen maar schriftelijk beschikbaar zal zijn; die omstandigheid werd hun op 17 juni 2024 bekend. Het verzoek is gedaan op 19 juli
- Voor het tijdsverloop van meer dan een maand na 17 juni 2024 is door verzoekers geen redelijke verklaring gegeven. Zij hebben over het tijdsverloop opgemerkt dat zij niet lichtvaardig denken over het wrakingsverzoek en het daarom hebben ingediend na enigszins bijgekomen te zijn van de zitting van 16 mei
- Vanaf die zitting waren echter op het moment van indienen van het verzoek al meer dan twee maanden verstreken en de redenering met betrekking tot het bijkomen van de zitting vormt niet een redelijke verklaring waarom het verzoek niet eerder is ingediend. De wrakingskamer stelt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen vast dat het verzoek niet is gedaan zodra de feiten of omstandigheden die daarvoor aanleiding gaven aan verzoekers bekend waren geworden. Daarmee is het te laat ingediend en verzoekers kunnen niet worden ontvangen in het verzoek. De wrakingskamer komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek. Er is dus geen reden om het verzoek op een zitting te behandelen. 4De beslissing De wrakingskamer verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking. Deze beslissing is gegeven door mr. J.F. Aalders, mr. A.V.T. de Bie en mr. P.F.E. Geerlings, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker als griffier en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2024.