afdeling strafrecht parketnummer: 23-000948-23 datum uitspraak: 8 oktober 2024 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen - na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 21 maart 2023 - op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 januari 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-702842-14 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992, adres: [adres]. Procesgang De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1, 2, 3, 4, 5, 7 en 8 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de rechtbank de op de beslaglijst onder nummers 7, 8, 10, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 19, 21, 23, 29 tot en met 33 in beslag genomen voorwerpen verbeurdverklaard, de onder 4, 6, 36, 37, 39, 42 en 48 in beslag genomen voorwerpen onttrokken aan het verkeer en de teruggave gelast van de onder 1, 2, 3, 5, 35, 38, 40, 41, 43 tot en met 47 en 50 in beslag genomen voorwerpen. Door de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof heeft in hoger beroep bij arrest van 9 juni 2021 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan en de verdachte voor het onder 1, 3, 7 en 8 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 dagen en een taakstraf voor de duur van 220 uren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de op de beslaglijst onder nummers 4, 7, 8, 10, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 19, 21, 23, 29 tot en met 33, 37, 39, 42 en 48 in beslag genomen voorwerpen verbeurdverklaard op grond van artikel 33a lid 1 sub a Wetboek van Strafrecht (Sr), het onder nummer 6 in beslag genomen voorwerp onttrokken aan het verkeer en de teruggave gelast van de onder nummers 1, 2, 3, 5, 35, 38, 40, 41, 43 tot en met 47, 49 en 50 in beslag genomen voorwerpen. Door de verdachte is tegen voormeld arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 21 maart 2023 het arrest van het gerechtshof vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de verbeurdverklaring van de in beslag genomen voorwerpen, met uitzondering van de voorwerpen genoemd onder 42 en 48 in het dictum van het bestreden arrest, te weten de papieren met (antwoorden op) examenvragen. De Hoge Raad heeft de zaak naar het gerechtshof teruggewezen, opdat de zaak wat betreft de beslissing ten aanzien van deze in beslag genomen voorwerpen opnieuw wordt berecht en afgedaan. Voor het overige heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie verworpen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 september 2024. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep, voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof (ten dele) tot een andere beslagbeslissing komt. Beslag De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de aan de orde zijnde inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd worden verklaard op grond van artikel 33a, eerste lid, onder b en c Sr. De raadsvrouw heeft verzocht om teruggave van de aan de orde zijnde inbeslaggenomen voorwerpen. Hiertoe heeft zij – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat uit het feit dat de Hoge Raad de zaak op dit punt heeft gecasseerd en teruggewezen, valt op te maken dat de Hoge Raad van oordeel is dat er geen andere grondslag is voor verbeurdverklaring. Oordeel van het hof De Hoge Raad heeft overwogen dat het oordeel van het hof “niet zonder meer begrijpelijk (is), mede in aanmerking genomen dat uit zijn beslissing niet blijkt dat het hof (ook) op een of meer van de andere in artikel 33a lid 1 Sr genoemde gronden verbeurdverklaring mogelijk heeft geacht.” Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat uit deze bewoordingen niet volgt dat er geen andere grondslag voor verbeurdverklaring op grond van artikel 33a lid 1 Sr mogelijk is. Het verweer dienaangaande wordt verworpen. De verdachte is - inmiddels onherroepelijk - veroordeeld voor het medeplegen van het als beroep of bedrijf uitoefenen van het opzettelijk inbreuk maken op eens anders auteursrecht, meermalen gepleegd (feiten 1 en 3) en witwassen (feit 8). De inbeslaggenomen bril met lens en usb-aansluiting
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.