afdeling strafrecht parketnummer: 23-001579-23 datum uitspraak: 29 oktober 2024 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 mei 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-081339-22 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1984, adres: [adres 1], thans gedetineerd in [detentieadres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 oktober 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, zijn raadsman, de benadeelde partijen en hun advocaten naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde straf, de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en de beslissingen ten aanzien van het beslag – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de bewijsoverwegingen zal aanpassen en/of aanvullen. Daarbij merkt het hof op dat de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd niet voor het bewijs kan worden gebruikt, zoals door de rechtbank is gedaan, omdat de verdachte niet voorafgaand aan het voor het bewijs gebezigde deel de cautie heeft gehad. Aanvullende bewijsoverwegingen Ten aanzien van de bewijsmiddelen Het hof overweegt dat de in het vonnis genoemde bewijsmiddelen als volgt worden aangepast en/of aangevuld: - de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd, zoals genoemd op pagina 3 van het vonnis (aangehaald in voetnoot 2), wordt vervangen door de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 15 oktober 2024 heeft afgelegd, voor zover inhoudende: “U, voorzitter houdt mij voor dat als u het proces-verbaal van de zitting van 3 augustus 2023 bij dit hof leest, het erop lijkt dat mijn standpunt ten aanzien van het vonnis is dat de bewezenverklaring van feit 1 op pagina 6 van het vonnis juist is. Ik antwoord u dat dat klopt. Het bewezenverklaarde is gebeurd, ik ontken het niet. Als u mij over de bewezenverklaring van de feiten 2 en 3 op pagina 6-7 van het vonnis bevraagt dan antwoord ik dat het misbruik is gebeurd. Ik heb [benadeelde 1] meermalen gezoend en gekust, gepijpt en ik heb hem geld aangeboden zoals is te lezen in de chats.” - aan voetnoot 5 wordt toegevoegd: het proces-verbaal aangifte, PV DEEL I, doorgenummerde pagina’s 01 e.v. Ten aanzien van de verweren in hoger beroep Het hof overweegt dat de bewijsoverwegingen in het vonnis worden aangevuld met onderstaande bespreking van een in hoger beroep gevoerd bewijsverweer. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten aangevoerd dat de ontuchtige handelingen tussen de verdachte en aangever [benadeelde 1] en het bewegen daartoe, niet onder druk dan wel dreiging tot stand zijn gekomen. In het bijzonder kan ten aanzien van feit 3 niet worden bewezenverklaard dat de verdachte tegen de zin van de aangever over zijn broek zijn hand op zijn penis heeft gelegd alsmede dat de verdachte tegen de ouders van de aangever zou vertellen dat de aangever homoseksueel is als hij niet mee zou werken aan ontuchtige handelingen. De berichten die in dit verband tussen de verdachte en de aangever zijn gewisseld waren grappig bedoeld. In ieder geval blijkt uit de berichten een sfeer van wederzijdse instemming en geen dwang of druk, aldus de verdediging. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. In een van de chatberichten is te lezen dat de verdachte aan de aangever schrijft: “Dat jij ook op mannen valt. Is een dingetje. Door je geloof”. Daarop laat de aangever aan de verdachte weten dat hij uit huis vliegt als zijn ouders dat weten en dat hij straks geen familie heeft die hem steunt. Als de verdachte aangeeft dat er altijd mensen zijn die de aangever steunen, antwoordt de aangever dat zijn familie dat niet doet als je het vertelt, want ze haten homo’s. Als de aangever later in het gesprek vanwege de Ramadan aangeeft niet met de verdachte af te willen spreken, schrijft de verdachte dat hij het jammer vindt dat de aangever niet meer wil afspreken en “ik ga maandag je ouders bellen”. Het hof is van oordeel dat de hier bedoelde uitingen van de verdachte door de aangever zonder meer als dwingend konden worden ervaren en daarom kunnen bijdragen aan het bewijs van de betwiste onderdelen van tenlastelegging en het opzettelijk bewegen tot ontuchtige handelingen. Daarbij neemt het hof tevens in aanmerking dat de verdachte, vanwege zijn hoedanigheid als docent en gezien het grote leeftijdsverschil, reeds een overwicht op de aangever had, waardoor de gebruikte bewoordingen extra gewicht in de schaal leggen. Dat uit de berichten een algehele sfeer van instemming door de aangever naar voren komt, volgt naar het oordeel van het hof niet uit die berichten. Evenmin volgt uit de bewoordingen van de berichten dat deze als grap waren bedoeld. Voor het overige worden de in hoger beroep gevoerde bewijsverweren geacht te zijn weerlegd door de bewijsmiddelen. Oplegging van straffen Beslissing van de rechtbank De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast is hem een verbod opgelegd voor beroepen waarbij hij zorg en/of verantwoordelijkheid draagt voor minderjarigen voor de duur van 8 jaren. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan 20 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren, met aftrek. Daarbij is gevorderd om de bijzondere voorwaarden op te leggen die zijn genoemd in het reclasseringsadvies van 20 december 2023, met daarnaast een locatieverbod van één kilometer rondom de woonadressen van beide slachtoffers. Ook is een beroepsverbod gevorderd voor de duur van 5 jaren. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft meerdere strafmaatverweren gevoerd. Ten eerste heeft de verdediging aangevoerd dat dient te worden stilgestaan bij de pleegperiode. Die zou voor alle bewezenverklaarde feiten aanzienlijk te ruim zijn bemeten door de rechtbank. Ten tweede dient volgens de verdediging rekening gehouden te worden met het psychologisch onderzoek naar de verdachte (inhoudende dat de verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht), met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en met het tijdsverloop. Dit dient te leiden tot strafmatiging. Ten derde heeft de verdediging nog aangevoerd dat de verdachte niet meer met minderjarigen werkt, zodat hij de risico’s niet opzoekt, en bereid is te werken aan zijn persoon. Overwegingen van het hof Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich als docent op een dovenschool schuldig gemaakt aan (verleiding tot) ontucht met een minderjarige leerling. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan de poging tot verleiding van een andere minderjarige leerling. De verdachte heeft hierbij ernstig misbruik gemaakt van zijn overwicht als docent ten aanzien van leerlingen, die door hun handicap doorgaans kwetsbaarder zijn dan de gemiddelde kinderen van hun leeftijd. De lichamelijke integriteit, seksualiteit en het zelfbeschikkingsrecht van de slachtoffers is hiermee ernstig geschonden. Het vertrouwen dat de slachtoffers in volwassenen zouden moeten kunnen hebben, met name degenen die hen zouden moeten onderwijzen en wegwijs maken in de wereld, is ernstig geschonden. Zij hebben blijkens hun slachtofferverklaringen nog erg veel last van het gebeuren. De verdachte heeft op geen enkel moment aan het welzijn van de slachtoffers gedacht, maar alleen aan het vervullen van zijn eigen seksuele lusten. Dit neemt het hof de verdachte zeer kwalijk. Daarnaast vindt het hof het met de rechtbank zorgelijk dat ter terechtzitting in hoger beroep niet is gebleken dat de verdachte volledige verantwoordelijkheid neemt voor wat hij deze twee jongens heeft aangedaan en wat de impact van zijn handelen is geweest. Ten aanzien van het gevoerde (strafmaat)verweer dat betrekking heeft op de bewezenverklaarde periode merkt het hof op dat gelet op de inhoud van het dossier niet goed valt vast te stellen wanneer de periode precies begint. Dit leidt er niet toe dat de bewezenverklaring zou moeten worden aangepast, nu de bewezenverklaarde handelingen wel in de bewezenverklaarde periode hebben plaatsgevonden. Het hof zal hiermee echter in de strafmaat wel rekening houden. Gelet op de grote ernst van de feiten en de gevolgen voor de slachtoffers, acht het hof in beginsel enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend. Hierbij houdt het hof in licht strafmatigende zin rekening met het tijdsverloop in deze strafzaak. Het hof houdt voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het psychologisch onderzoek Pro Justitia van 13 december 2023 volgt dat bij de verdachte sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis, waarbij in beschrijvende zin sprake is van een narcistisch-afhankelijke dynamiek, borderline en vermijdende kenmerken. Van de persoonlijkheidsstoornis was ook sprake ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten en deze heeft de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte tijdens het tenlastegelegde ook beïnvloed. Dit leidt tot het advies om de verdachte de feiten in (licht) verminderde mate toe te rekenen. Het hof neemt dit over en zal met deze mate van verminderde toerekenbaarheid in strafmatigende zin rekening houden. In het Reclasseringsadvies van 20 december 2023 wordt het risico op herhaling ingeschat als laag, maar in het rapport wordt wel het volgende opgemerkt: “Bij het wegvallen van sociale of relationele steun of andere sociaal-maatschappelijke problemen kan niet worden uitgesloten dat betrokkene vanuit onzekerheid of een onbewuste opbouw van spanningen en onlustgevoelens, opnieuw op zoek gaat naar (externe) seksuele prikkels en bevestiging om onzekerheidsgevoelens te reguleren. Betrokkene heeft in de huidige situatie onvoldoende inzicht in en begrip van hoe dit bij hem werkt. Op de langere termijn wordt het recidiverisico dan ook ingeschat als matig, indien betrokkene zonder hulp of behandeling terugkeert in de maatschappij". Ook hiermee houdt het hof rekening bij de strafoplegging. Het hof acht het, evenals advocaat-generaal, wenselijk om de op te leggen gevangenisstraf in deels voorwaardelijke vorm op te leggen, waarbij bijzondere voorwaarden worden gesteld, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden om nogmaals (soortgelijke) strafbare feiten te plegen. Daarbij neemt het hof de in het reclasseringsadvies genoemde bijzondere voorwaarden over, te weten (samengevat): een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting, een contactverbod met de slachtoffers, een verplichting tot het vinden van dagbesteding en het meewerken aan schuldhulpverlening. Daarnaast zal het hof een door het slachtoffer [benadeelde 2] verzocht locatieverbod met betrekking tot zijn adres opleggen. De bijzondere voorwaarden zijn nader uitgewerkt in het dictum. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur 48 maanden, waarvan 20 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden, waarbij de na te melden bijzondere voorwaarden worden gesteld. Gelet op het bepaalde in artikel 14b, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, ziet het hof geen ruimte om een proeftijd van 5 jaren op te leggen, zoals de advocaat-generaal heeft gevorderd, nu aan het criterium voor een langere proeftijd, niet is voldaan. Daarnaast zal het hof de verdachte een beroepsverbod voor de duur van 5 jaren opleggen, te weten een verbod op het werken als leerkracht of beroep met zorg en verantwoordelijkheid voor minderjarigen, zowel in vrijwillig verband als in dienstverband, om te voorkomen dat de verdachte nogmaals in een soortgelijke situatie terechtkomt. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 28, 31, 33, 33a, 36f, 45, 55, 57, 248a en 249 van het Wetboek van Strafrecht. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot immateriële schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.500,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.