beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling strafrecht rekestnummer(s): 000506-24 (530 Sv) parketnummer in eerste aanleg: 15-279443-20 Beschikking op het hoger beroep tegen de beslissing van de raadkamer van de rechtbank Noord-Holland van 20 maart 2023 op het verzoekschrift op de voet van de artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker], geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1972, domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. C.J. Berghout, Raamweg 1, 2596 HL Den Haag. 1Procesverloop Het hoger beroep is op 20 april 2023 ingesteld door verzoeker (hierna appellant). Op 14 augustus 2024 heeft de advocaat-generaal het standpunt van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt. Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 15 oktober 2024 de advocaat-generaal, appellante en de advocaat van appellante ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. 2Inhoud van het verzoek Het verzoek - zoals aangevuld in raadkamer in hoger beroep onder c - strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van: kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 1.210,00; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg en in hoger beroep ten bedrage van € 680,00; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 340,
- 3Beoordeling Het hoger beroep is tijdig ingesteld. De advocaat-generaal heeft in zijn standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen aansluiting gezocht bij de rechtbank die heeft geoordeeld dat appellante het aan zichzelf te wijten heeft dat zij onderwerp is geworden van een opsporingsonderzoek naar diefstal of verduistering dat heeft geresulteerd in een voorwaardelijk sepot, omdat zij de schade met aangeefster heeft geregeld Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Dit betekent enerzijds dat bij verzoeken op de voet van de artikelen 530 en 533 Sv als uitgangspunt vergoeding plaatsvindt, maar anderzijds dat het de rechter vrij staat op gronden van billijkheid vergoeding achterwege te laten of slechts gedeeltelijk toe te kennen. Deze oordeelsvrijheid wordt begrensd door de onschuldpresumptie zoals (ook) neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De onschuldpresumptie verlangt dat – ongeacht de aard van de aan de strafzaak gekoppelde procedure en ongeacht de vraag of de strafprocedure is geëindigd met een vrijspraak dan wel een sepot – de motivering van het oordeel in de gekoppelde procedure (in casu: de onderhavige verzoekschriftprocedure) niet alsnog neerkomt op het uiten van de mening dat hij of zij zich schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van een strafrechtelijke norm en daarmee aan het plegen van een strafbaar feit (EHRM (GK) 11 juni 2024, appl. nos. 32483/19 & 35049/19, Nealon & Hallam t. het Verenigd Koninkrijk). Appellante heeft verklaard dat zij de bril van aangeefster onbeheerd in de sportschool zag liggen, deze bij de balie wilde afgeven maar dat de balie vanwege corona-maatregelen niet bemenst was, waarna zij de bril naar huis heeft meegenomen en deze vervolgens is vergeten. Zij ontkent uitdrukkelijk een strafbaar feit te hebben gepleegd. Het hof stelt vast dat de zaak tegen appellante is geëindigd met een sepot en dat appellante steeds heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan een strafbaar feit. Het hof acht, in het licht van het hiervoor genoemde toetsingskader en mede gelet op de omstandigheid dat de schuld van verzoekster uitdrukkelijk is weersproken, gronden van billijkheid aanwezig om het verzoek toe te kennen. Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de strafzaak ten bedrage van € 1.210,
- Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 1.020,
- 4Beslissing Het hof: Vernietigt de beschikking waarvan beroep en doet opnieuw recht. Wijst het verzochte toe. Kent op de voet van artikel 530 Sv aan appellant een vergoeding toe van € 2.230,00 (tweeduizend tweehonderddertig euro). Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant. Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.M.P. Geelhoed, M.J.A. Duker en J.H. van der Werff, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 29 oktober
- De voorzitter beveelt: de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 2.230,00 (tweeduizend tweehonderddertig euro) op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. Stichting Beheer Derdengelden Advocatenkantoor Stille Veerkade o.v.v. [ovv]. Amsterdam, 29 oktober 2024, mr. A.M.P. Geelhoed, voorzitter.