afdeling strafrecht parketnummer: 23-003073-21 datum uitspraak: 14 november 2024 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 11 november 2021 in de strafzaak onder de parketnummers 13-260514-20 en 15-248362-19 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, zijn raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf, de beslissing ten aanzien van de benadeelde partij en beslissingen ten aanzien van de vorderingen tot tenuitvoerlegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Oplegging van straf De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 282 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de rechtbank een voorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd, waarbij bijzondere voorwaarden zijn gesteld. Deze bijzondere voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 545 dagen, waarvan 263 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en met bijzondere voorwaarden. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair bepleit een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met bijzondere voorwaarden. Deze te stellen voorwaarden kunnen dadelijk uitvoerbaar worden verklaard, maar de tijd dat deze voorwaarden in feite al golden, gelet op dadelijk uitvoerbaarheid zoals in eerste aanleg bevolen, dient te worden afgetrokken, zodat geen proeftijd meer geldt. De verdachte houdt zich namelijk in feite al ruim 3 jaar aan de in eerste aanleg gestelde bijzondere voorwaarden. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit een proeftijd van één jaar te verbinden aan het voorwaardelijk strafdeel. De raadsvrouw heeft daarnaast gewezen op de forse overschrijding van de redelijke termijn. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De ernst van de feiten Het hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van de ernst van de feiten 1 en 2 en neemt de navolgende overweging over: “Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben op enig moment het plan opgevat om een dure auto te stelen. Daartoe hebben zij contact gezocht met het slachtoffer, dat zijn auto te koop had aangeboden via [website]. Nadat zij op meerdere dagen op verschillende momenten contact hebben gehad met het slachtoffer, hebben zij uiteindelijk een afspraak gemaakt met hem. Op de dag van de afspraak zijn verdachte en zijn medeverdachte in de trein gestapt. Toen bleek dat zij in de verkeerde trein zaten en zij niet terug konden reizen vanaf station Amsterdam Sloterdijk naar de afgesproken plek in Zwanenburg, hebben zij met het slachtoffer afgesproken bij de Majoor Fransweg in Amsterdam. Vervolgens zijn verdachte en zijn medeverdachte daar naartoe gelopen, wat ruim tien minuten lopen is vanaf station Amsterdam Sloterdijk. Op al deze momenten had verdachte de gelegenheid zich te bedenken. In plaats daarvan heeft verdachte telkens de keuze gemaakt om door te gaan met de uitvoering van het plan om de dure auto te stelen. Kennelijk had verdachte enkel oog voor eigen financieel gewin. Nadat verdachte en zijn medeverdachte samen met het slachtoffer een proefrit met de auto hadden gemaakt, stelde het slachtoffer voor om de achterbak te laten zien. Hierop zijn verdachte, zijn medeverdachte en het slachtoffer uitgestapt, waarna het slachtoffer vanaf de voorkant van de auto terugliep richting de kofferbak. Op dat moment heeft verdachte het slachtoffer totaal onverwachts in zijn rug gestoken. Het slachtoffer heeft dit geweld op geen enkele wijze kunnen zien aankomen en heeft zich hier niet tegen kunnen verweren. Dat verdachte en zijn medeverdachte vervolgens zijn weggereden met de auto en het slachtoffer aan zijn lot over hebben gelaten, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Het slachtoffer heeft door de messteek zeer ernstig letsel opgelopen. Hij heeft dit ternauwernood overleefd, wat hij volgens de arts voornamelijk te danken heeft aan zijn bovengemiddelde fysieke fitheid op dat moment. Het slachtoffer moet als gevolg van die messteek de rest van zijn leven met één nier leven en heeft bovendien een groot ontsierend litteken op zijn lichaam, dat hem de rest van zijn leven aan deze gebeurtenis zal herinneren. Dit zeer ernstige feit is voor het slachtoffer traumatisch geweest. Bekend is dat slachtoffers van dergelijke feiten hiervan nog lange tijd grote psychische gevolgen kunnen ondervinden, zoals angsten, herbelevingen en problemen in hun dagelijks functioneren. Daarnaast heeft dit gewelddadige feit grote gevolgen gehad voor het dagelijks leven van het slachtoffer en zijn gezin. Hij verdiende als zelfstandig ondernemer zijn geld als fysiek en mentaal coach en heeft door de (fysieke) gevolgen een jaar lang niet kunnen werken. (…) Het slachtoffer heeft daarnaast jonge kinderen, waarvan de jongste op het moment van het feit pas enkele weken oud was. Ook voor dit jonge gezin als geheel heeft deze gebeurtenis grote impact gehad.” In aanvulling hierop overweegt het hof dat ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat het slachtoffer met zijn gezin naar aanleiding van deze gebeurtenis is verhuisd. Zij hebben hun woning in Amsterdam verlaten omdat zij zich hier niet meer veilig voelden. Het hof ziet hierin bevestigd dat de gebeurtenis een bijzonder grote impact heeft gehad op het slachtoffer en zijn gezin. Het hof sluit zich tevens aan bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van de ernst van de feiten 3 en 4 en neemt de navolgende overweging over: “Daarnaast zijn bij de doorzoeking van de woning een gaspistool en bijbehorende patroonhouder, een stiletto mes en drie boksbeugels aangetroffen. Dergelijke wapens vormen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. Ook dit zijn dus ernstige feiten.” De persoon van de verdachte Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof kennisgenomen van de over de verdachte uitgebrachte rapportages die zich in het dossier bevinden. Het betreft onder meer de volgende rapporten: het psychiatrisch onderzoeksrapport Pro Justitia van 28 september 2024 van psychiater [naam 1] ; het psychologisch onderzoeksrapport Pro Justitia van 17 juli 2024 van GZ-psycholoog [naam 2] ; de e-mail van 29 oktober 2024 van psychiater [naam 1] , mede namens [naam 2] , waarin zij vragen beantwoordt van de verdediging naar aanleiding van voornoemde Pro Justitia rapportages; een voortgangsverslag van Reclassering Nederland van 18 september 2024, betreffende de voortgang van het toezicht tussen 28 maart 2024 en 28 juni 2024; een voortgangsverslag van Reclassering Nederland van 30 september 2024, betreffende de voortgang van het toezicht tussen 29 juni 2024 en 29 september 2024; een e-mail van 30 oktober 2024 van reclasseringswerker [naam 3] , die de verdachte sinds maart 2024 begeleidt, waarin zij onder andere reageert op de rapporten van [naam 1] en [naam 2] en beschrijft – indien van toepassing – hoe het verdere toezicht er wat haar betreft uit zal zien; een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 7 november 2023, opgesteld door raadsonderzoeker [naam 4] en een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 28 oktober 2024, opgesteld door raadsonderzoeker [naam 4] . Voorts heeft het hof kennisgenomen van hetgeen de deskundige [naam 5] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht. Het hof zal met name acht slaan op de recent door psychiater [naam 1] en GZ-psycholoog [naam 2] uitgebrachte rapporten en het rapport van de Raad van 28 oktober 2024. Inleiding De verdachte verbleef van augustus 2021 tot 7 september 2024 in [instelling 1] , locatie [locatie] , een orthopedagogisch behandelcentrum in [plaats 1] . Op 7 september 2024 is de verdachte verhuisd naar een buitenlocatie van [instelling 1] in [plaats 2] . Dit betreft een meer open woonvorm, waar de verdachte begeleid woont in een eigen appartement, grenzend aan een woonvoorziening van [instelling 1] . Vóór augustus 2021 woonde de verdachte bij zijn ouders in [plaats 3] . Psychiatrisch Pro Justitia rapport Psychiater [naam 1] heeft op 28 september 2024 gerapporteerd dat bij de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten sprake was van een licht verstandelijke beperking, een normoverschrijdende gedragsstoornis met begin in de adolescentie en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling in de zin van een krenkbare, beïnvloedbare jongen, ik-gericht en onvoldoende in staat tot empathie. [naam 1] stelt dat bij de verdachte op dit moment geen sprake meer is van een normoverschrijdende gedragsstoornis. Ook voldoet hij niet aan de criteria van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische kenmerken. Bij de verdachte kan men nu hoogstens spreken van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met zorgen over antisociale gedragingen en over de vermijding en de narcistische persoonlijkheidstrekken die hij laat zien. Het risico op gewelddadig gedrag is volgens [naam 1] nog steeds aanwezig en moet, ondanks de residentiele behandeling die de verdachte de afgelopen jaren heeft gevolgd, nog als licht verhoogd worden gezien indien hij geen verdere behandeling en begeleiding zou ondergaan. [naam 1] adviseert de verdachte door te laten stromen naar een woonvoorziening voor jongeren met LVB-problematiek waarbij ook forensische kennis aanwezig is. Naast de begeleiding en ondersteuning is ambulante forensische behandeling noodzakelijk waarbij de verdachte leert waar zijn valkuilen liggen en hoe hier mee om te gaan met als doel het voorkomen van terugval in risicovol delinquent gedrag. Ten slotte zijn een verplicht leertraject en werk belangrijke onderdelen voor de volgende fase van behandeling. Over het te hanteren juridisch kader overweegt [naam 1] dat, hoewel de verdachte al enige tijd een behandeling ondergaat onder een voorwaardelijke PIJ-maatregel, een essentieel onderdeel van de behandeling nog niet is uitgevoerd, namelijk de overgang naar een meer zelfstandige en uitdagende woonomgeving. Omdat juist de overgang naar een meer risicovolle omgeving door de onderzoeker als risicovol wordt geacht, adviseert zij deze stap te zetten binnen het huidige kader: een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Een voorwaardelijke PIJ-maatregel als ‘een stok achter de deur’ beschermt de verdachte in deze kwetsbare overgangsfase voor terugval, aldus [naam 1] . Psychologisch Pro Justitia rapport GZ-psycholoog [naam 2] heeft op 17 juli 2024 gerapporteerd dat bij de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten sprake was van een verstandelijke beperking (licht), een normoverschrijdende gedragsstoornis en een ouder-kindrelatieprobleem. In haar diagnostische overwegingen beschrijft zij de huidige situatie met betrekking tot het al dan niet bestaan van een stoornis bij de verdachte: “Gezien wordt dat [verdachte] op dit moment volgens classificatie middels de DSM-5 niet voldoet aan de antisociale persoonlijkheidsstoornis. Ook heeft [verdachte] de afgelopen jaren geen patroon van grensoverschrijdend gedrag laten zien waardoor hij überhaupt niet meer voldoet aan de diagnose normoverschrijdende gedragsstoornis. Wel kan er gesproken worden van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Naar voren komt dat [verdachte] te maken heeft met een gebrekkige gewetensontwikkeling, hij zijn gedragingen bagatelliseert en instrumenteel is in zijn handelen. De vraag rijst in hoeverre dit zich verder zal ontwikkelen in een minder gestructureerde setting in de eigen omgeving. (…) Zijn verblijf bij [instelling 1] heeft een positieve invloed op zijn ontwikkeling gehad de afgelopen jaren, wat maakt dat een vervolgstap voor de hand ligt om het geleerde verder in de praktijk te kunnen brengen. Voor [verdachte] zal deze stap uitdagingen met zich meebrengen zoals meer een beroep op de zelfredzaamheid en zelfstandigheid dan momenteel het geval is en zich weerbaar opstellen naar eventuele oude vrienden en/of oude buurt. Onderzoeker noemt ook hier weer dat [verdachte] intensief begeleid dient te worden en er naast behandeling met forensische expertise sprake moet zijn van adequaat en intensief toezicht met heldere kaders om deze stap zo succesvol mogelijk te maken.” Het recidiverisico wordt door [naam 2] ingeschat als matig tot hoog indien terugkeer naar de eigen leefomgeving plaatsvindt zonder inzet van begeleiding en/of behandeling. Zij overweegt in dat kader het volgende: “De stap naar een omgeving dichter bij de oorspronkelijke leefomgeving en gesplitst in een begeleid wonen setting en een behandelsetting zal vanzelfsprekend meer risico met zich meebrengen dan het blijven in de huidige setting (het hof begrijpt: de setting in [instelling 2] ). Echter, dit risico zal de komende jaren niet verder afnemen dan op dit moment het geval is, gezien [verdachte] andere behandeling (met forensische expertise) nodig heeft en op een gegeven moment de mogelijkheid moet krijgen om het geleerde in de praktijk te kunnen brengen.” [naam 2] adviseert als vervolgstap plaatsing in een woonvoorziening dichterbij de eigen omgeving, met intensieve praktische begeleiding en toezicht waar de verdachte goed in de gaten kan worden gehouden. Zij adviseert daarnaast behandeling bij een instelling met forensische expertise, zoals bijvoorbeeld De Waag, waarbij rekening dient te worden gehouden met zijn licht verstandelijke beperking. Met name gelet op de risico’s die zijn verbonden aan de overgang terug naar de eigen omgeving, acht [naam 2] een strikt juridisch kader in de vorm van een voorwaardelijke PIJ-maatregel noodzakelijk. Rapport Raad voor de Kinderbescherming 28 oktober 2024 Met [naam 1] en [naam 2] ziet de Raad de noodzaak van het goed borgen van de overgangsfase van de verdachte naar een vrijere woonsetting in de oude, eerder negatief beïnvloedende omgeving van [plaats 3]. Echter, volgens de Raad zijn er alternatieven voor een (voorwaardelijke) PIJ-maatregel die ingezet kunnen worden om de gewenste resultaten te behalen; het verder verkleinen van de kans op recidive en het bevorderen van verdachtes ontwikkeling. De noodzakelijke begeleiding en behandeling kan georganiseerd worden binnen het kader van een voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden. De Raad kan zich dan ook niet vinden in de conclusie van de Pro Justitia rapporteurs dat een voorwaardelijke PIJ-maatregel het meest passende kader is, onder ander rekening houdend met het feit dat een PIJ-maatregel het ultimum remedium moet zijn. De Raad overweegt dat door het verblijf en behandeling op [locatie] de afgelopen jaren, de ernst van de psychopathologie duidelijk is afgenomen. Zo was ten tijde van het delict sprake van een stoornis, maar wordt deze door de Pro Justitia rapporteurs thans niet meer gesteld. Ook is het recidiverisico verminderd en door de psychiater thans ingeschat op licht verhoogd. Dat wordt bevestigd door het geringe aantal politiecontacten en het goed verlopen van de verloven, aldus de Raad. Daarnaast overweegt de Raad dat de leerdoelen van de verdachte haaks staan op de intramurale setting waarin een PIJ-maatregel wordt uitgevoerd op het moment dat hij zijn voorwaarden overtreedt in het proces van vallen en opstaan. De doelen voor de verdachte liggen juist in het zo risicoloos mogelijk functioneren in deze maatschappij. Functioneren binnen een strikt kader en in een zeer beschermde, afgebakende en overzichtelijke omgeving heeft hij de afgelopen jaren bij [locatie] al laten zien. Hier liggen niet de leerdoelen voor de verdachte. Het voorwaardelijk PIJ-kader achter de hand houden voor ‘wat als’, zeker nu er geen sprake is van een hoge kans op recidive op geweldsdelicten en de diagnostische conclusies een stuk milder zijn, is volgens de Raad onnodig en disproportioneel. De Raad adviseert de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met een proeftijd van één jaar en met bijzondere voorwaarden. Met betrekking tot de geadviseerde proeftijd van één jaar overweegt de Raad dat het belangrijk is om de stap naar een begeleid wonen setting in de omgeving [plaats 3] te borgen. De Raad betreurt dat de overgang naar een meer open woonvorm pas zeer recent is geschied – en bovendien (nog) niet naar de omgeving [plaats 3] . Voor een woonsetting in de regio [plaats 3] is nog geen aanmelding gedaan en dit zal ook niet op korte termijn plaatsvinden, aldus de Raad. Echter, de Raad heeft er moeite mee dat de verdachte de dupe is van deze processen en het grote tijdsverloop bij zorginstanties en het strafrechtelijk verloop. Dit speelt mee in de terughoudendheid van de Raad bij het opleggen van een lange(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.