Gerechtshof Amsterdam – ECLI:NL:GHAMS:2024:3244
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 23/735 24 oktober 2024 uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende, tegen de uitspraak van 30 juni 2023 in de zaak met kenmerk HAA 22/2450 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding 1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 een naheffingsaanslag omzetbelasting van € 4.631 opgelegd en daarbij € 871 belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft in haar uitspraak het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en belanghebbendes verzoek om schadevergoeding afgewezen.
1.4.
Het hoger beroep is door belanghebbende ingesteld bij brief van 7 augustus 2023. Daarna zijn de volgende inhoudelijke stukken ingediend: de gronden van het hoger beroep door belanghebbende; een verweerschrift door de inspecteur, en een nader stuk van 19 september 2024 door belanghebbende.
1.5.
Belanghebbende heeft op 6 oktober 2024 een verzoek om uitstel van de zitting van 22 oktober 2024 ingediend. In zijn brief van 7 oktober 2024 heeft het Hof dit verzoek afgewezen waarbij (ter toelichting) is opgenomen dat: in het voorjaar van 2024 de zitting op verzoek van belanghebbende is gepland na september 2024, namelijk op 1 oktober 2024; belanghebbende voor die eerder geplande zitting op 29 september 2024 om uitstel heeft gevraagd met als reden hij nog last ondervond van een tandartsbehandeling en het Hof dit verzoek om uitstel (uiteindelijk) heeft toegewezen; het Hof de aangevoerde reden voor uitstel van de zitting van 22 oktober 2024, te weten “het oplopen van een drukke agenda”, onvoldoende zwaarwegend acht en dat hetzelfde geldt voor de reden dat te weinig tijd zou resteren om relevante stukken te overleggen, in welk verband het Hof heeft gewezen op het weinig complexe karakter van de zaak, de termijn die sinds het opleggen van de naheffingsaanslag (op 30 december 2020) is verstreken, alsmede de proceshouding van belanghebbende (met name het meer dan gemiddelde aantal uitstelverzoeken in dit geding), en een volgend verzoek om uitstel van de zitting in beginsel zal worden afgewezen.
Belanghebbende heeft op 12 oktober 2024 nogmaals een uitstelverzoek ingediend. Het Hof heeft ook dit verzoek afgewezen.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2024. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2Feiten 2.1.
De rechtbank heeft onder meer de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’): “Feiten 1. Per brief van 16 oktober 2020 heeft verweerder eiser meegedeeld dat een verschil was geconstateerd tussen de omzet die eiser heeft verantwoord bij zijn aangifte inkomstenbelasting (IB) over 2015 en het totaal aan omzetten dat eiser had aangegeven in de vier kwartaalaangiften omzetbelasting (OB) over dat jaar. Volgens de brief bedroeg de omzet volgens de aangifte IB € 32.150 en die volgens de aangiften OB € 10.095. Verweerder vroeg aan eiser het verschil binnen twee weken schriftelijk te verklaren.
Te betalen volgens naheffingsaanslag d.d. 30 december 2020: € 4631 Betaalde voorbelasting dan wel:
Te verrekenen: € 6252 Terug te ontvangen: € 1621 Ik merk op dat de door mij opgemaakte cijfers over het jaar 2015 uitkom op een totaal aan te betalen belasting van € 4540 in de beschikking/navorderingsaanslag staat vermeld € 4631.
Met verzoek de beschikking naheffingsaanslag d.d. 30 december 2020 te corrigeren.”
2.2.
Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan. In aanvulling hierop stelt het Hof de volgende feiten vast.
2.3.
In de e-mail van belanghebbende aan de inspecteur van 9 februari 2022 (zie onder 8 van de rechtbankuitspraak) staat onder meer: “Ik heb de informatie toegezonden waarom is gevraagd (…) Graag verwijs ik naar de correspondentie. Het hoorgesprek komt hierbij te vervallen zoals gepland om 15.00 uur hedenmiddag, tenzij u nog vragen hebt.”
2.4.
De inspecteur heeft dezelfde dag per e-mail geantwoord; in deze e-mail schrijft de inspecteur onder meer: “Uit uw onderstaande mailbericht blijkt dat u geen gebruik wenst te maken van uw recht om te worden gehoord en bent van mening dat u uw bezwaar volledig hebt toegelicht en onderbouwd met informatie en documentatie. Ik zal overgaan tot verdere inhoudelijke afwikkeling van uw bezwaar op basis van alle informatie die ik tot mijn beschikking heb.”
2.5.
De inspecteur heeft bij zijn verweerschrift in hoger beroep twee afschriften uit het Centraal bevoegdheidsregister van de Belastingdienst overgelegd, waarin is vermeld dat aan mr. [naam inspecteur] sinds 4 november 2016 mandaat is verleend om de bevoegdheden van de inspecteur uit te oefenen en dat zij sinds 26 november 2018 is gemachtigd om voor de rechtbank en het gerechtshof in fiscaalrechtelijke procedures op te treden namens de inspecteur.
3Geschil in hoger beroep In hoger beroep is evenals bij de rechtbank in geschil of: de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente terecht zijn opgelegd; de uitspraak op bezwaar rechtsgeldig is gedaan, meer specifiek of mr. [naam inspecteur] bevoegd was uitspraak op bezwaar te doen; het hoorrecht is geschonden, en de inspecteur heeft gehandeld in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
4Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft het volgende overwogen en beslist: “Beoordeling van het geschil De bevoegdheid van Z [Hof: mr. [naam inspecteur] ] 16. Aangaande hetgeen eiser heeft aangevoerd over de bevoegdheid van Z overweegt de rechtbank dat er geen rechtsregel is die verhindert dat verweerder, in zijn hoedanigheid van inspecteur, zich bij de behandeling van een bezwaar of beroep laat vertegenwoordigen door een daartoe aangestelde ambtenaar van de Belastingdienst. Uit de gedingstukken komt overduidelijk naar voren dat Z werkzaam is als ambtenaar bij de Belastingdienst. De motivering van de uitspraak op bezwaar en het verweerschrift zijn van haar hand en zij heeft deze stukken als vertegenwoordiger van verweerder ondertekend. De gehele gang van zaken, zoals die uit de gedingstukken naar voren komt, laat er geen twijfel over bestaan dat Z tot deze handelingen alleszins bekwaam is en daarom ook aannemelijk is dat zij deze heeft uitgevoerd binnen de grenzen van haar functie binnen de Belastingdienst. Mede gezien het feit dat eiser eerst ter zitting met deze beroepsgrond is gekomen, vindt de rechtbank in hetgeen eiser in dit kader heeft aangevoerd daarom geen grond voor een gegrondverklaring van het beroep. Ook verder is niet gebleken van formele kwesties of vormfouten van de zijde van verweerder die tot een gegrondverklaring van het beroep zouden moeten leiden.
Het hoorrecht 17. Voordat een bestuursorgaan op een bezwaar beslist, wordt de belanghebbende, op grond van artikel 7:2 van de Awb, in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) wordt, in afwijking van artikel 7:2 van de Awb, een belanghebbende in belastingzaken gehoord op zijn verzoek.
De inhoud van de zaak 19. Verweerder heeft de naheffingsaanslag vastgesteld door de verschuldigde omzetbelasting te berekenen over het verschil tussen de omzet volgens de aangifte IB over het jaar 2015 en die volgens de gezamenlijk kwartaalaangiften omzetbelasting over 2015. Bij zijn bezwaar heeft eiser aangevoerd dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd met een bedrag aan in aftrek te brengen voorbelasting. Voor de beslechting van het onderhavige geschil stelt de rechtbank voorop dat de af te dragen omzetbelasting over door de ondernemer geleverde goederen en verleende diensten moet worden onderscheiden van de belasting die de ondernemer daarop in aftrek brengt. Bij een geschil hierover ligt de bewijslast voor de af te dragen omzetbelasting bij verweerder, en ligt de bewijslast voor de in aftrek te brengen voorbelasting bij eiser. Dat het bedrag aan af te dragen respectievelijk in aftrek te brengen omzetbelasting veelal samenkomen in één afdracht, teruggaaf, aanslag of naheffingsaanslag, maakt dit niet anders.
De algemene beginselen van behoorlijk bestuur 24. Indien een belastingaanslag volgens de daartoe strekkende wettelijke bepalingen op het juiste bedrag is vastgesteld, kan de aanslag toch worden verminderd of vernietigd als bij het vaststellen van de aanslag is gehandeld in strijd met een of meer in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij de voorbereiding van het opleggen van de naheffingsaanslag in ruime mate zorgvuldigheid betracht met de rechtens te respecteren belangen van eiser. De naheffingsaanslag strekt ertoe dat van eiser de belasting wordt geheven die hij volgens de wet verschuldigd is. Dat verweerder met het vaststellen van de naheffingsaanslag een ander doel heeft nagestreefd, is gesteld noch gebleken. Verweerder heeft de naheffingsaanslag niet willekeurig, maar op basis van de van eiser zelf afkomstige gegevens vastgesteld. Van een onevenredigheid tussen het met de naheffingsaanslag te bereiken doel en de (mogelijke nadelige) gevolgen daarvan voor eiser, is, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook geen sprake.
Schade 31. Eiser heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van schade. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen feiten en/of omstandigheden gesteld welke een begin van bewijs zouden kunnen vormen dat verweerder schadeveroorzakend gedrag kan worden verweten.
Proceskosten 35. Nu het beroep ongegrond is en de eis tot het vergoeden van schade wordt afgewezen is voor een proceskostenveroordeling volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht dan wel voor een integrale vergoeding van gemaakte proceskosten – een opgave daarvan is niet verstrekt noch heeft eiser aangeboden die op verzoek te willen verstrekken – geen aanleiding.”
5Beoordeling van het geschil in hoger beroep 5.1.
In zijn hogerberoepschrift heeft belanghebbende de rechtsgeldigheid van de uitspraak op bezwaar betwist. Belanghebbende heeft in dit verband ook aangevoerd dat (ten onrechte) geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden. Het hoger beroep van belanghebbende is, zo schrijft hij, “eveneens gericht tegen de oplopende rente, met het verzoek de rente op nihil te stellen”. Belanghebbende heeft zijn hoger beroep verder als volgt gemotiveerd: “Hierbij doe ik u een kopie van pleitnota welke op de zitting van de Rechtbank Haarlem op 20 juni 2023 is overgelegd en voorgelezen, toekomen met verzoek deze nota als herhaald en ingelast in deze memorie van grieven te beschouwen.”
5.2.
Belanghebbende voert ook in hoger beroep aan dat i) de ambtenaar die de beslissing op bezwaar heeft ondertekend (naar het Hof begrijpt is bedoeld de motivering behorende bij de uitspraak op bezwaar, die is ondertekend door mr. [naam inspecteur] ) daartoe niet bevoegd was en ii) [naam inspecteur] door het doen van die uitspraak niet binnen de grenzen van haar bevoegdheid is gebleven. Deze klacht faalt. Tot de gedingstukken behoort een afschrift uit het Centraal bevoegdheidsregister van de Belastingdienst waaruit blijkt dat [naam inspecteur] met ingang van 4 november 2016 de bevoegdheden van inspecteur mocht uitoefenen. Het lijdt geen twijfel dat [naam inspecteur] bij de beslissing op bezwaar binnen dat mandaat is gebleven, nu het doen van uitspraken op bezwaar over belastingaanslagen behoort tot de kernbevoegdheden van de inspecteur. Ter zitting bij het Hof heeft belanghebbende nog aangevoerd dat [naam inspecteur] de naheffingsaanslag heeft opgelegd en dat zij daarom geen uitspraak op het daartegen gerichte bezwaar had mogen doen. De klacht faalt. Uit de stukken (zie bijlagen 1 tot en met 5 bij het verweerschrift bij de rechtbank) blijkt dat een andere ambtenaar dan [naam inspecteur] de naheffingsaanslag heeft opgelegd.
5.3.
Het Hof is van oordeel dat de rechtbank de in de pleitnota aangevoerde grieven terecht en op goede gronden heeft verworpen. Het Hof onderschrijft de beoordeling van het geschil door de rechtbank. Met betrekking tot de grief dat het hoorrecht is geschonden, verwijst het Hof nog naar de e-mailcorrespondentie onder 2.3 en 2.4, waaruit volgt dat belanghebbende zelf heeft afgezien van het (reeds geplande) hoorgesprek, zodat deze grief niet kan slagen.
5.4.
Nu belanghebbende ook in hoger beroep geen facturen heeft overgelegd die zijn stelling dat hij recht heeft op een extra aftrek van voorbelasting (ad € 6.857) kunnen onderbouwen, dan wel andere bewijsmiddelen op basis waarvan aannemelijk is dat bedoelde voorbelasting op facturen aan hem in rekening is gebracht, ziet het Hof geen aanleiding om in zoverre anders te oordelen dan de rechtbank. Zeker nu belanghebbende pas bij de motivering van het bezwaar, die hij overigens eerst na diverse malen uitstel heeft ingediend, heeft gesteld recht te hebben op meer aftrek, had het op zijn weg gelegen die stelling uit eigen beweging van een substantiëring te voorzien of in elk geval te verschijnen bij het geplande hoorgesprek om een toelichting te geven, in plaats van dat gesprek negentig minuten voor aanvang af te zeggen.
5.5.
Het Hof ziet geen aanleiding, temeer omdat belanghebbende zijn standpunt niet heeft toegelicht, om aan te nemen dat de belastingrente ad € 871 door de inspecteur te hoog is vastgesteld, gelet op het bepaalde in Hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Ten overvloede merkt het Hof op dat van een oplopende belastingrente geen sprake is; het bedrag aan belastingrente wordt niet hoger door het verstrijken van de tijd. Wellicht doelt belanghebbende hierbij op de invorderingsrente, maar die rente speelt in onderhavige procedure geen rol, zodat het Hof zich hierover niet kan uitlaten in deze zaak.
5.6.
De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en de uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
6Kosten Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.
7Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. C.J. Hummel, voorzitter, B.A. van Brummelen en W.J. Blokland, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 24 oktober 2024 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: