← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2024:326

afdeling strafrecht parketnummer: 23-001381-23 datum uitspraak: 1 februari 2024 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 21 april 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-238836-22 tegen [verdachte01] , geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1976, adres: [adres01] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 januari 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 25 juni 2022 te Heemstede [benadeelde partij01] heeft mishandeld door te duwen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken heup ten gevolge heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof anders dan de politierechter tot vrijspraak van het tenlastegelegde komt. Vordering van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zodat de verdachte in zoverre moet worden vrijgesproken, en heeft voor het overige gerekwireerd tot bewezenverklaring van eenvoudige mishandeling en oplegging van een taakstraf van 30 uren, waarvan 10 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 6.117,98 met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. Vrijspraak Met de raadsman is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte is tenlastegelegd. Dat oordeel berust op het volgende. Op grond van de verklaringen in het dossier en die van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, stelt het hof vast dat de aangever op de verdachte is afgelopen, terwijl hij verbaal de confrontatie met de verdachte zocht. Op het moment dat de aangever in de ogen van de verdachte te dicht bij zijn dochter kwam, heeft de verdachte zijn arm uitgestrekt naar de aangever. Dit heeft geleid tot een lichte duw. Vaststaat dat de aangever vervolgens is gevallen, waardoor hij zijn heup heeft gebroken. Van mishandeling als bedoeld in artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht kan onder meer sprake zijn als iemand opzettelijk lichamelijk letsel of pijn aan een ander toebrengt. Er is geen reden om aan te nemen dat de verdachte de aangever met het geven van een lichte duw moedwillig pijn, heupletsel of enig ander letsel heeft willen bezorgen. Daarnaast kan van opzettelijk handelen ook sprake zijn indien de verdachte met zijn handelen bewust een aanmerkelijke kans op pijn of letsel heeft aanvaard, maar het hof is van oordeel dat die kans bij het geven van een lichte duw zoals daarvan in deze zaak sprake is geweest, gelet op ervaringsregels niet aanmerkelijk is te achten, nog daargelaten de vraag of de verdachte die kans ook bewust heeft aanvaard. Het hof concludeert dat uit het handelen van de verdachte niet het voor mishandeling vereiste opzet kan worden afgeleid. Bij die stand van zaken dient de verdachte van het tenlastegelegde te worden vrijgesproken. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij01] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 11.117,98. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 6.732,98. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij01] Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij01] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. T. de Bont, mr. M.L.M. van der Voet en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. I. Peetoom en mr. R.J.C. Wegerif, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 februari 2024.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.