GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerken 23/228 tot en met 23/232 19 november 2024 uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , woonachtig te [Z] ( [land] ), belanghebbende, gemachtigde: mr. J.R.R. Oevering (Struycken Advocaten) tegen de uitspraak van 31 januari 2023 in de zaken met kenmerken HAA 20/4241 tot en met HAA 20/4245 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1.
(43).” Uit deze weergave volgt dat het e-mailbericht zag op het horen in de bezwaarfase voor 2016 en als enige strekking had om hiervan af te zien, welke weergave door de gemachtigde van belanghebbende niet is betwist in beroep en in hoger beroep. 5.2.3. Het Hof overweegt voorts dat op grond van artikel 8:42, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de inspecteur in beginsel alle stukken die hem ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en een rol hebben gespeeld bij zijn besluitvorming aan de belanghebbende en aan de rechter dient over te leggen. De beoordeling of de inhoud van het betreffende stuk voor de besluitvorming in de zaak van belang is (geweest), kan niet geschieden zonder kennisneming van die inhoud. Dit neemt niet weg dat de rechter onder omstandigheden ook zonder kennisneming van het desbetreffende stuk kan beslissen dat dit stuk niet van enig belang voor de besluitvorming kan zijn (geweest) (zie HR 15 november 2013, nr. 12/00606, ECLI:NL:HR:2013:1129, BNB 2014/28). Zodanige omstandigheden zijn naar het oordeel van het Hof in casu aan de orde. Het Hof constateert namelijk dat het niet plaatshebben van het horen in de bezwaarfase van de aanslag IB/PPV 2016 geenszins in geschil is in beroep en/of in hoger beroep, en dat van het horen in bezwaar met instemming van belanghebbende is afgezien. Hiervan uitgaande kan bijlage 43, betreffende een e-mail waarvan vast staat dat deze ziet op bedoeld afzien van horen, niet van enig belang voor de besluitvorming zijn (geweest). Er is dus geen sprake van een ontbreken van een op de zaak betrekking hebbend stuk. Deze grief van belanghebbende in hoger beroep faalt derhalve. *Bewijsaanbod belanghebbende tardief? 5.2.4. Gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting van het Hof het aanbod gedaan om nader bewijs te leveren ter zake van het doen van aangifte IB/PVV voor de jaren 2012 tot en met 2014. Meer in het bijzonder wenst hij hiermee te reageren op de door de inspecteur ter zitting van het Hof gegeven onderbouwing van de voor 2012 tot en met 2014 opgelegde vergrijpboeten. Gemachtigde stelt dat hij deze onderbouwing eerst ter zitting van het Hof heeft vernomen en daarom niet eerder dit bewijs heeft overgelegd. De inspecteur acht het aanbod tardief. Hij stelt dat hij reeds in zijn verweerschrift in eerste aanleg zijn onderbouwing van de vergrijpboeten voor alle jaren heeft uiteengezet. Gemachtigde zou deze onderbouwing dus al behoren te kennen. 5.2.5. De inspecteur heeft ter zitting van het Hof meer specifiek als volgt verklaard: “Op de vraag van het Hof betreffende de boetes en de zwaardere bewijslast, antwoord ik dat ten aanzien van de kostenaftrek belanghebbende niet de vereiste zorg heeft betracht. Zij heeft het invullen van de aangifte aan haar partner, die geen fiscale kennis heeft, overgelaten. Ik verwijs naar hetgeen ik in eerste aanleg daarover heb aangevoerd. Ten aanzien van de zelfstandigenaftrek is tijdens het FIOD-verhoor door de partner verklaard dat die aftrek ten onrechte is opgevoerd terwijl daar er geen recht op bestond. Ik verwijs naar punt 3.27 en bijlage 6 van mijn verweerschrift in eerste aanleg. Ten aanzien van de autokosten verwijs ik naar het hoorverslag, bijlage 37, pagina 5 van mijn verweerschrift in eerste aanleg. De autokosten [functie 1] zijn in feite de autokosten van de partner. Daarnaast is er geen kilometeradministratie bijgehouden en staat er geen auto op de balans van de maatschap. Ik refereer mij ook aan de uitspraak. Ten aanzien van de financiële omstandigheden van belanghebbende verklaart zij tegenstrijdig. Zo schrijft zij in haar nader stuk van 23 november 2022 dat zij ‘tussen de 1-2 ton’ verdient. Er is sprake van een contradictie. De aangifte van belanghebbende is elektronisch door haar ondertekend. Zij heeft dus ingelogd met DigiD. Niet is gebleken dat haar partner gevolmachtigde is, ik verwijs naar onderdeel 44 van de rechtbankuitspraak. (…)” 5.2.6. Het Hof stelt vast dat de onderbouwing van de vergrijpboeten zoals door de inspecteur desgevraagd gegeven ter zitting van het Hof, onmiskenbaar en helder haar grondslag kent in door de inspecteur reeds in eerste aanleg overgelegde en toegelichte stukken welke bij de gemachtigde van belanghebbende als zijnde reeds bekend mocht worden verondersteld. Het Hof wijst in aanvulling op het gemotiveerde betoog van de inspecteur, overigens nog op (
- i)de bevindingen uit het boekenonderzoek I en II zoals hiervoor weergegeven onder 2.5, (
- ii)het verslag van het horen van [P] in de bezwaarfase inzake de jaren 2012 t/m 2015 zoals weergegeven onder 2.6, en (iii) het proces-verbaal van het verhoor van belanghebbende bij de FIOD zoals weergegeven onder 2.7. 5.2.7. Het Hof verklaart dit door de gemachtigde van belanghebbende eerst in deze late fase gedane bewijsaanbod tardief. Het Hof is van oordeel dat het belang van een doelmatige procesgang, afgewogen tegen het belang van belanghebbende om het door haar aangeboden bewijs te kunnen leveren alsmede de redenen waarom zij dat niet in een eerdere fase van de procedure heeft gedaan, zwaarder weegt en dat het Hof daarom het verzoek van belanghebbende afwijst om de zaak aan te houden en belanghebbende in de gelegenheid te stellen op dit punt alsnog bewijs te leveren. Het bewijsaanbod betreft een kwestie ter zake waarvan de inspecteur al op veel eerdere momenten gemotiveerd stelling heeft ingenomen. De door de inspecteur gegeven onderbouwing van de vergrijpboeten ( is derhalve niet nieuw naar voren gekomen en vormt als zodanig ook geen voor belanghebbende onverwachte wending ter zitting van het Hof. Het valt niet in te zien waarom belanghebbende – zo zij daaraan behoefte zou hebben – ter zake niet eerder het aangeboden bewijs heeft ingebracht. Het Hof constateert overigens dat tussen partijen een voornaam deel van de onderbouwing van de boeten ook niet in geschil is, namelijk dat belanghebbende haar aangiftes IB/PVV in die jaren liet doen door haar partner [P] (hierna: de partner), dat zij geen fiscale kennis had, dat zij zich niet met fiscale aangelegenheden bemoeide, en dat zij blind vertrouwde op haar partner die zo zij wist geen fiscale kennis had. Deze feiten en omstandigheden die de inspecteur mede als grondslag hanteert, zullen belanghebbende daarom niet hebben kunnen verrassen. [C2] -kosten 5.3.1. De rechtbank voert in haar uitspraak drie zelfstandig dragende gronden op die ieder voor zich kunnen leiden tot de conclusie dat belanghebbende de verliezen die betrekking hebben op de activiteiten van [C2] niet in aanmerking kan nemen. De rechtbank constateert dit als zodanig ook terecht in rechtsoverweging 40 van haar uitspraak. Het Hof zal de uitspraak van de rechtbank, zoals volgt uit rechtsoverweging 5.1, hierna geheel bevestigen, maar overweegt ten overvloede nog als volgt. 5.3.2. Het Hof stelt vast dat belanghebbende in hoger beroep geen grieven heeft aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende de door haar in aftrek gebrachte kosten met betrekking tot de activiteiten van [C2] voor de jaren 2012 tot en met 2016 niet aannemelijk heeft gemaakt (zie rechtsoverweging 47 van de uitspraak van de rechtbank). In hoger beroep heeft belanghebbende evenmin nieuwe of andere bewijsmiddelen aangedragen die de aftrek van die kosten ondersteunen. Vast staat dat belanghebbende voor de jaren 2012 tot en met 2015 geen facturen, bonnen of andere bescheiden van de in aftrek gebrachte [C2] -kosten heeft overgelegd. Voor zover belanghebbende heeft gesteld dat zij dergelijke bescheiden niet heeft kunnen overleggen als gevolg van een brand in 2015 in de woning van haar partner waar bedoelde bescheiden volgens haar werden bewaard, acht het Hof deze stelling volstrekt ongeloofwaardig. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende die stelling geheel niet heeft onderbouwd. Indien niettemin – veronderstellenderwijs – wordt uitgegaan van de juistheid van die stelling, neemt het Hof nog in aanmerking dat van het kasstelsel is gebruikgemaakt voor het opmaken van de jaarrekening (zie de brief van de Inspecteur zoals weergegeven onder 2.3). Dit betekent dat aantekening is gehouden van de ontvangsten en uitgaven voor de activiteiten van [C2] in de jaren 2012 tot en met 2015. Het betekent ook dat het op de weg van belanghebbende heeft gelegen om ter staving van die ontvangsten en uitgaven rekeningafschriften op te vragen bij de bank. Vast staat evenwel dat belanghebbende ook dergelijke rekeningafschriften niet heeft overgelegd. Voorts staat vast dat weliswaar bescheiden zijn overgelegd voor het jaar 2016 maar dat die onvoldoende inzichtelijk zijn in die zin dat niet is te zien of zij betrekking hebben op activiteiten van [C2] of op andere activiteiten. 5.3.3. Uit hetgeen onder 5.3.2 is overwogen volgt de conclusie dat niet (meer) in geschil is dat belanghebbende het bewijs inzake de [C2] -kosten, die als een ondernemingsverlies zijn geclaimd, eenvoudigweg niet heeft geleverd. Het volgt ook daaruit dat de grieven van belanghebbende belang missen voor zover zij zich richten tegen elk van de andere twee zelfstandig dragende gronden van de rechtbank. Reeds daarom is het gelijk aan de zijde van de Inspecteur op het punt van de [C2] -kosten. Vergrijpboeten 2012 t/m 2014 5.4.1. Ter zake van de aan belanghebbende voor de drie jaren opgelegde vergrijpboeten overweegt het Hof, in aanvulling op de rechtbank (in het bijzonder ro. 54 en 55), als volgt. 5.4.2. De inspecteur heeft ter zitting van het Hof, onder verwijzing naar zijn in eerste aanleg ingediende stukken, vier prangende punten genoemd die tevens volgen uit de citaten onder 2.4 tot en met 2.7. Het betreffen: (
- i)het door belanghebbende geheel overlaten van het invullen van de aangiften aan de partner waaronder het ten onrechte claimen van de verliezen met betrekking tot de activiteiten [C2] , dit terwijl belanghebbende wist dat haar partner geen enkele fiscale kennis droeg, en hierop vervolgens ook geen enkele vorm van controle uitoefenen, (
- ii)het bewust ten onrechte opvoeren van de zelfstandigenaftrek door de partner, (iii) het bewust en eveneens ten onrechte opvoeren van de autokosten [functie 1] door de partner, en (
- iv)het niet bijhouden van een kilometeradministratie en het niet opnemen van de auto op de balans van de maatschap door de partner. 5.4.3. Gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven onder 2.3 tot en met 2.7, staat tevens vast dat (
- i)de partner in de aangiften met daarin opgenomen winst uit onderneming uitsluitend de [functie 1] -activiteiten van belanghebbende heeft vermeld, (
- ii)hij desondanks in dezelfde aangiften kosten met betrekking tot een andere activiteit heeft opgevoerd, en (iii) belanghebbende deze andere activiteit in de jaren 2012 tot en met 2014 conform de inschrijving bij de KvK nog niet zou uitoefenen. 5.4.4. Daarbij komt nog dat, zoals de inspecteur heeft aangevoerd, belanghebbende wist dat haar partner geen enkele fiscale kennis droeg en zij desondanks geen enkele vorm van controle heeft uitgeoefend op de wijze waarop de aangiften werden ingevuld. 5.4.5. Mede in acht genomen wat hiervoor onder 5.4.2 tot en met 5.4.4 in aanvulling op de uitspraak van de rechtbank is overwogen, acht het Hof de inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast om overtuigend aan te tonen dat op zijn minst genomen sprake is van grove schuld aan de zijde van belanghebbende (HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526). Belanghebbende heeft dermate lichtvaardig gehandeld dat het aan haar grove schuld is te wijten dat te weinig belasting is geheven. Dit beeld wordt versterkt doordat zowel de partner als belanghebbende in het boekenonderzoek na herhaaldelijke verzoeken van de Belastingdienst daartoe nimmer bescheiden heeft overgelegd ter onderbouwing van de [C2] -kosten. Hetzelfde geldt voor de maatschapskosten, waarvan in het boekenonderzoek eveneens is geconstateerd dat zij onderbouwing missen (zie 2.4 en 2.5) en waarvoor nimmer bescheiden zijn overgelegd ter onderbouwing. 5.4.6. Belanghebbende heeft gesteld dat de bescheiden van de [C2] -kosten zijn vernietigd tijdens een brand in 2015 in de woning van haar partner. Zoals hiervoor is overwogen onder 5.3.2, acht het Hof deze stelling volstrekt ongeloofwaardig. Bovendien doet die stelling hoe dan ook niet af aan het bewust ten onrechte opvoeren van de zelfstandigenaftrek en autokosten [functie 1] en het ten onrechte claimen van de [C2] -kosten door de partner, welke verwijtbare handelingen van de partner alle aan belanghebbende zijn toe te rekenen daar belanghebbende die handelingen geheel aan haar partner overliet wetende van zijn gebrek aan fiscale kennis en zonder daar enige controle op uit te oefenen (zie 5.4.2 en 5.4.3). 5.4.7. Belanghebbende doet een beroep op afwezigheid van alle schuld (hierna: AVAS). Uit hetgeen hiervoor onder 5.4.2 tot en met 5.4.5 is overwogen volgt naar het oordeel van het Hof dat belanghebbende niet de in alle redelijkheid van haar te vergen zorg heeft betracht. Belanghebbende heeft immers dermate lichtvaardig gehandeld dat het aan haar grove schuld te wijten is dat te weinig belasting is geheven. Derhalve kan geen sprake zijn van AVAS. 5.4.8. Het Hof volgt belanghebbende eveneens niet in haar stelling dat sprake is van een pleitbaar standpunt. Zoals de rechtbank juist heeft overwogen (zie rechtsoverweging 57 van de rechtbank) kan van een pleitbaar standpunt uitsluitend worden gesproken als het een standpunt over de interpretatie van het (fiscale) recht betreft, dus een - geheel of gedeeltelijk - rechtskundig standpunt. Daaronder is mede te begrijpen de rechtskundige duiding van de feiten. De pleitbaarheid van een standpunt wordt naar objectieve maatstaven beoordeeld (zie HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:638 en Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:970). De argumenten van belanghebbende die naar voren zijn gebracht ter onderbouwing van haar aangiften vormen, voor zover al sprake is van een gedeeltelijk rechtskundig standpunt, naar oordeel van het Hof geen pleitbaar standpunt. 5.4.9. Evenals de rechtbank acht het Hof de bedragen van de vergrijpboeten opgelegd voor de jaren 2012 tot en 2014 (vóór de vermindering ervan wegens overschrijding van de redelijke termijn) passend en geboden. In hoger beroep zijn er naar het oordeel van het Hof geen bijzondere persoonlijke feiten en omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan de opgelegde vergrijpboeten niet langer passend en geboden zouden zijn. 5.4.10. Tot slot is het Hof van oordeel dat de vergrijpboeten terecht in de bezwaar- en in de beroepsfase zijn gematigd met telkenmale 10% vanwege overschrijding van de redelijke (beslis)termijn. De behandelingsduur in hoger beroep geeft het Hof geen aanleiding om de vergrijpboeten in verband met een overschrijding van de redelijke termijn verder te matigen. Vergoeding van immateriële schade 5.5. Het hogerberoepschrift is op 14 maart 2023 bij het Hof ingekomen (zie hiervoor 1.7). De hogerberoepsfase is afgesloten met de uitspraak van het Hof van 19 november 2024. De behandeling van het hoger beroep heeft niet meer dan 2 jaren bedragen. Belanghebbende heeft derhalve geen recht op een aanvullende vergoeding van immateriële schade wegens de behandelingsduur in hoger beroep. Slotsom 5.6. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient, met aanvulling van gronden, te worden bevestigd. 6Kosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet. 7Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door mrs. N. Djebali, voorzitter, H.E. Kostense en M.C. Cornelisse, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.E. Breman als griffier. De beslissing is op 19 november 2024 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Toelichting rechtsmiddelverwijzing Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend. Digitaal procederen Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl. Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen. Per post procederen Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: