Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-001466-22 Datum uitspraak: 13 december 2024 TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 24 mei 2022 in de strafzaak onder parketnummer 15-028051-22 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 november 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadslieden naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat: hij in of omstreeks de periode van 19 april 2021 tot en met 27 april 2021 te Westzaan, gemeente Zaanstad, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van een geldbedrag van 16.181,00 euro, door - zich voor te doen als bonafide meubelstoffeerder(s) en/of - door voornoemde [benadeelde] mede te delen dat er houtworm in zijn woning aanwezig was en/of - met voornoemde [benadeelde] werkzaamheden overeen te komen inhoudende reparatie werkzaamheden aan één of meer kasten en/of een algehele bestrijding van houtworm (aan het meubilair) in de woning en/of; - voor genoemde overeengekomen werkzaamheden een onevenredig hoog bedrag in rekening te brengen, waardoor genoemde [benadeelde] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte, terwijl verdachte en/of zijn mededader de overeengekomen werkzaamheden niet, althans niet naar behoren en/of niet volledig hebben uitgevoerd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter. Vordering van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. Vrijspraak Het tenlastegelegde is, na de wijziging daarvan in eerste aanleg - waarbij kennelijk het subsidiair tenlastegelegde op grond van artikel 284 Sr is komen te vervallen - enkel nog toegesneden op artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), te weten oplichting. Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling wegens oplichting onder meer is vereist dat de verdachte een of meer van de in artikel 326 Sr specifiek aangeduide oplichtingsmiddelen heeft gebezigd: -het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, -het gebruik van listige kunstgrepen, -of het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels. Een belangrijk kenmerk van deze oplichtingsmiddelen is dat de verdachte door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te maken en de ander te bewegen tot, bijvoorbeeld, de afgifte van geld. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel is bewogen tot een bepaalde handeling, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en van onder meer de persoonlijkheid van het slachtoffer en zijn leeftijd. In de onderhavige zaak is de verdachte, van beroep meubelstoffeerder, drie maal in de woning van [benadeelde] (hierna: [benadeelde]) geweest. [benadeelde] is een bejaarde man die gebruik maakt van een rolstoel. De eerste keer, op 19 april 2021 heeft de verdachte met instemming van [benadeelde] een nachtkastje meegenomen om te lijmen. Hiervoor was geen prijs afgesproken. Bij het tweede bezoek op 26 april 2021 kwam de verdachte terug met het nachtkastje, in gezelschap van een andere man. Ze hadden een soort van zuurstofapparaat bij zich, ingewikkeld in een doek, om houtworm mee te bestrijden. [benadeelde] wist niet dat hij last had van houtworm en dacht dat hij daar geen last van had. De jonge jongen liet hem iets zien dat op houtkrullen leek. De verdachte gebruikte voor de bestrijding van houtworm een apparaat (naar de waarneming van [benadeelde]: verhuld door een deken en kloppende geluiden makend) waarmee hij langs en in de niet-ontruimde kasten ging. [benadeelde] heeft verklaard dat hij wel wist hoe houtworm eruit zag, dat zijn moeder vroeger houtworm bestreed en dat dit er heel anders uitzag. De andere man bleef steeds bij [benadeelde]. Hij had volgens [benadeelde] roze briefjes bij zich die [benadeelde] moest ondertekenen. Dit gebeurde volgens [benadeelde] steeds op momenten dat de andere man flauw viel of deed alsof. De andere man zei dat het nodig was voor de rekening dat [benadeelde] blanco papieren ondertekende. In het dossier bevindt zich een nota met datum 19 april 2021 met nr.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.