GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team handel Zaaknummer gerechtshof: 200.322.078/01 Zaaknummer rechtbank: 9354407 EL 21-164 arrest van 17 december 2024 in de zaak van Dexia Nederland B.V., gevestigd in Amsterdam, appellante, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen 1 1. [geïntimeerde 1] , wonende in [plaats 1] ,2. [geïntimeerde 2],wonende in [plaats 2] ,3. [geïntimeerde 3],wonende in de gemeente [plaats 3] , geïntimeerden, advocaat: mr. A. Frederiksen te Amsterdam. Partijen worden hierna Dexia, [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en gezamenlijk [geïntimeerden] genoemd. 1De procedure in eerste aanleg Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam, zittingsplaats Amsterdam, van 15 december 2022. 2De procedure in hoger beroep 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; het herstelexploot; de memorie van grieven met producties; de memorie van antwoord met producties; de akte uitlaten jurisprudentie [geïntimeerden] ; de akte uitlaten producties van Dexia; de akte uitlaten van [geïntimeerden] 2.2. Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De kern van de zaak 3.1. Deze zaak gaat over twee effectenleaseovereenkomsten. De ene overeenkomst is tot stand gekomen tussen Dexia enerzijds en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] anderzijds. De andere overeenkomst is tot stand gekomen tussen Dexia enerzijds en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] anderzijds. [geïntimeerde 1] heeft de overeenkomsten mede namens zijn dochters [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] afgesloten. [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] waren ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten minderjarig. De overeenkomsten zijn gelijktijdig tot stand gekomen via een tussenpersoon (Spaar Select). Dexia heeft bij de totstandkoming daarvan haar waarschuwingsplicht geschonden. In deze procedure gaat het om de vraag of [geïntimeerden] door deze tussenpersoon is geadviseerd. Deze tussenpersoon beschikte niet over de daarvoor vereiste vergunning. Als deze tussenpersoon beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist dan wel behoorde te weten, moet Dexia de volledige schade van [geïntimeerden] vergoeden. 3.2. Dexia heeft gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [geïntimeerden] niets meer van Dexia te vorderen heeft. De kantonrechter heeft de vordering van Dexia toegewezen onder de voorwaarde dat Dexia de schade van [geïntimeerden] vergoedt. 4De beoordeling 4.1. Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld. Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen. 4.2. Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de weergave van de vorderingen van Dexia, en de grondslagen daarvan. Deze weergave is in hoger beroep niet bestreden. 4.3. In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen. 4.4. [geïntimeerden] heeft geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. Verjaring 4.5. Het beroep van Dexia op verjaring van de vorderingen van [geïntimeerden] gaat niet op. De vordering van [geïntimeerden] is gebaseerd op een onrechtmatige daad van Dexia. Een dergelijke vordering verjaart na verloop van vijf jaar vanaf het moment waarop [geïntimeerden] daadwerkelijk bekend was geworden met de schade en de aansprakelijke persoon of personen (artikel 3:310 lid 1 BW), in dit geval na beëindiging van de overeenkomsten. De verjaring kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW). Anders dan Dexia lijkt te betogen, kan aan een mededeling als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW niet de eis worden gesteld dat daarin een precieze feitelijke en juridische inkleding wordt gegeven waarop het vorderingsrecht zijn grondslag vindt. 4.6. In het verzoekschrift van 18 november 2005 tot algemeen verbindendverklaring van de Duisenberg-regeling is aan Dexia duidelijk gemaakt welke verwijten Dexia werden gemaakt in het kader van de schade als gevolg van de effectenleaseovereenkomsten. Indiening van dit verzoek heeft de verjaring van de schadevergoedingsvordering van [geïntimeerden] gestuit, op grond van artikel 7:907 lid 5 (oud) BW. Vervolgens zijn op 9 oktober 2009, 23 januari 2012, 29 december 2015, 27 oktober 2016 en 20 januari 2017 brieven/sommaties gestuurd, waarin de afnemer telkens uitdrukkelijk verklaarde zich alle rechten jegens Dexia voor te behouden. Laatstgenoemde brieven waren afkomstig van de gemachtigde van [geïntimeerden] , die de brieven verstuurde namens een groot aantal particulieren die waren gedupeerd door de door hen gesloten effectenleaseovereenkomsten. Dexia heeft de inhoud van de brieven uit 2009 en 2012 redelijkerwijs ook als mede namens [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] geschreven, en niet enkel namens [geïntimeerde 1] , moeten begrijpen. De contractnummers van de overeenkomsten, waarbij ook [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] partij waren, stonden immers op de meegezonden lijsten vermeld. Voor Dexia was het daarom duidelijk (althans had het duidelijk moeten zijn) dat [geïntimeerden] , die immers middels een opt-out verklaring aan Dexia heeft aangegeven niet aan de Duisenberg-regeling gebonden te willen zijn, hiermee beoogde de vordering te stuiten tot vergoeding van schade die [geïntimeerden] op grond van de effectenleaseovereenkomsten had geleden. In het licht van de WCAM-procedure en de verwijten die in het verzoekschrift d.d. 18 november 2005 waren opgenomen, was het voor Dexia voldoende duidelijk welke verwijten haar werden gemaakt ten aanzien van de door haar aangeboden effectenleaseovereenkomsten (het schenden van de vergunningsplicht door tussenpersonen wordt daar genoemd). Daarmee was het voor Dexia duidelijk welke feiten aanleiding gaven tot het instellen van de vorderingen en op welke juridische grondslagen die vorderingen werden gebaseerd. Gelet op deze context voldeden de brieven aan de vereisten die artikel 3:317 lid 1 BW aan een geldige stuiting stelt. Dit betekent dat met genoemde brieven de verjaring van de vordering van [geïntimeerden] steeds tijdig is gestuit, gelet op de verjaringstermijn van vijf jaar die op grond van artikel 3:310 lid 1 BW geldt. 4.7. Voor zover Dexia stelt dat de vordering gebaseerd op de schending van artikel 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 is verjaard, gaat dit verweer niet op omdat het hier niet gaat om een vordering van [geïntimeerden] gebaseerd op schending van artikel 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999. Dit artikel wordt alleen behandeld in het kader van de bij een beroep van Dexia op eigen schuld aan de zijde van [geïntimeerden] in acht te nemen billijkheidsafweging. 4.8. Verder heeft Dexia aangevoerd dat Leaseproces niet gevolmachtigd was namens [geïntimeerden] enige verjaring te stuiten en dat [geïntimeerden] geen verleende volmacht heeft verstrekt. Het hof verwerpt die stelling eveneens. [geïntimeerden] heeft aangevoerd dat hij zich begin 2006 tot Leaseproces heeft gewend. De eerste stuitingsbrief van Leaseproces namens [geïntimeerden] dateert van 9 oktober 2009. Dat Dexia deze stuitingsbrief namens [geïntimeerden] heeft ontvangen staat, zoals hierboven overwogen, vast. Op grond van artikel 3:71 lid 1 BW kunnen verklaringen, door een gevolmachtigde afgelegd, door de wederpartij als ongeldig van de hand worden gewezen, indien zij de gevolmachtigde terstond om bewijs van de volmacht heeft gevraagd en dit bewijs niet op de in deze bepaling omschreven wijze wordt geleverd. Gesteld noch gebleken is dat Dexia destijds ten aanzien van de brief van 9 oktober 2009 heeft betwist dat [geïntimeerden] als cliënt van Leaseproces haar heeft gevolmachtigd om namens hem de verjaring te stuiten. Dexia heeft niet terstond, namelijk onmiddellijk na ontvangst van de brief van 9 oktober 2009, om bewijs van haar volmacht gevraagd. Daarna kan op artikel 3:71 BW geen beroep meer worden gedaan, nu gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerden] op enig moment na 9 oktober 2009 de volmacht heeft herroepen dan wel dat Leaseproces, die ook als gemachtigde van [geïntimeerden] in eerste aanleg optrad, de volmacht heeft ontzegd. Dexia kan dan ook niet gevolgd worden in haar standpunt dat Leaseproces niet gevolmachtigd was om namens [geïntimeerden] stuitingshandelingen te verrichten. Advisering Spaar Select 4.9. Dexia voert aan dat Spaar Select geen vergunningplichtig advies aan [geïntimeerden] heeft gegeven en dat Dexia in elk geval niet wist of behoorde te weten van dergelijke advisering door Spaar Select. 4.10. Tussen partijen staat vast dat de effectenleaseovereenkomsten tussen Dexia en [geïntimeerden] tot stand zijn gekomen door tussenkomst van Spaar Select die als bemiddelaar optrad. Daarmee is Spaar Select bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten opgetreden als effectenbemiddelaar in de zin van (het destijds geldende) artikel 1b onder 1 Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995). Een effectenbemiddelaar die mogelijke cliënten aanbrengt bij een effecteninstelling, wordt ook cliëntenremisier genoemd. 4.11. De Hoge Raad heeft geoordeeld (ECLI:NL:HR:2016:2012) dat Nederland in de Wte 1995 gebruik heeft gemaakt van de in Richtlijn 93/22/EEG van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (Richtlijn Beleggingsdiensten) geboden mogelijkheid om strengere regels van toepassing te verklaren. De Wte 1995 moet volgens de Hoge Raad zo worden uitgelegd dat indien een cliëntenremisier zich niet beperkt tot het aanbrengen van een potentiële belegger bij een beleggings- of effecteninstelling, maar hij die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, de aldus handelende cliëntenremisier over een vergunning dient te beschikken. Dit is inmiddels vaste jurisprudentie van de Hoge Raad en het hof ziet in het betoog van Dexia onvoldoende grond om op dit punt anders te oordelen of hierover prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad of het Hof van Justitie van de Europese Unie. 4.12. Spaar Select had geen vergunning zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 Wte 1995, om als effectenbemiddelaar diensten aan te bieden. Het stond Spaar Select als cliëntenremisier niet vrij om zonder vergunning mede op te treden als beleggingsadviseur. Zij kon echter aanspraak maken op de generieke vrijstelling van artikel 12 lid 1 Vrijstellingsregeling Wte 1995 om cliënten aan te brengen bij een effecteninstelling zoals Dexia, die zelf over een vergunning beschikte. De reden van deze vrijstelling was dat de instelling bij wie de cliënt werd aangebracht, zelf al aan toezicht was onderworpen, dan wel daarvan was vrijgesteld. Artikel 41 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (en voorheen artikel 25 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1995) verbood Dexia om een effectenleaseovereenkomst met een cliënt aan te gaan indien zij wist of behoorde te weten dat de daarbij optredende tussenpersoon, zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, tevens als financieel adviseur was opgetreden. Deze laatste omstandigheid – het contracteren in weerwil van dit verbod – moet Dexia in een dergelijk geval bij de toepassing van artikel 6:101 BW zwaar worden aangerekend. Bij effectenleaseovereenkomsten die op deze manier tot stand zijn gekomen, is de inhoud van het advies niet meer van belang, evenmin als een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het aan te schaffen product. Dexia had de afnemer immers hoe dan ook moeten weigeren. De billijkheid vereist dan in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat betreft de reeds betaalde rente, aflossing en kosten. Dit geldt ook als de mogelijke financiële gevolgen van de effectenleaseovereenkomst geen onaanvaardbaar zware last vormden (ECLI:NL:HR:2016:2012 en ECLI:NL:HR:2018:1935). 4.13. Kortom, voor de beantwoording van de vraag of de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, moet worden beoordeeld of: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.