GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.313.521/01 zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/318779 / HA ZA 21-404 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 december 2024 in de zaak van 1LENTING GROEP B.V., 2. LENTING VERHUUR B.V., beide gevestigd te De Goorn , gemeente Koggenland, appellanten in principaal hoger beroep, tevens geïntimeerden in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. M.A. Le Belle te Alkmaar, tegen [geïntimeerde] , wonend te [woonplaats] , geïntimeerde in principaal hoger beroep, tevens appellant in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. M.F. de Jong te Haarlem. Partijen worden hierna Lenting Groep, Lenting Verhuur en gezamenlijk: Lenting (in vrouwelijk enkelvoud) en [geïntimeerde] genoemd. 1De zaak in het kort Lenting heeft een bedrijfspand, dat nog ontwikkeld moest worden, gehuurd van [geïntimeerde] . Partijen zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] zou zorgdragen voor het (laten) aanbrengen van een klimaatinstallatie in het pand op zijn kosten. In deze procedure vordert Lenting een bedrag van € 76.502,00 van [geïntimeerde] voor de geïnstalleerde klimaatinstallatie (VRF-systeem). [geïntimeerde] heeft betwist dat partijen plaatsing van een VRF-systeem zijn overeengekomen. Volgens [geïntimeerde] heeft Lenting een veel duurdere installatie laten installeren dan was afgesproken. De rechtbank heeft, [geïntimeerde] volgend, een lager bedrag toegewezen dan Lenting heeft gevorderd. Lenting vordert in hoger beroep de vergoeding van haar volledige factuur. Het hof laat Lenting toe te bewijzen dat [geïntimeerde] heeft voorgesteld om de factuur voor het VRF-systeem te verrekenen met de maandelijks verschuldigde huur. 2Het geding in hoger beroep Lenting is bij dagvaarding van 12 juli 2022 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 13 april 2022 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen Lenting als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde (verder: het bestreden vonnis). Bij tussenarrest van 9 augustus 2022 heeft het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast, die op 10 november 2022 heeft plaatsgevonden. Het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal maakt deel uit van het dossier. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, tevens vermeerdering van eis, met producties; - memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, tevens bezwaar vermeerdering van eis; - memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep. Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 29 augustus 2024 laten toelichten door hun hiervoor genoemde advocaten, beiden aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord en inlichtingen verstrekt. Lenting heeft nog een productie in het geding gebracht. Na de mondelinge behandeling hebben partijen het hof bericht dat zij geen minnelijke regeling hebben getroffen. Ten slotte hebben zij arrest gevraagd. Lenting heeft in hoger beroep haar eis vermeerderd en in het principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis gedeeltelijk, voor zover haar vorderingen zijn afgewezen, zal vernietigen en haar (vermeerderde) vorderingen alsnog geheel zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in hoger beroep, inclusief de nakosten, en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente althans de wettelijke rente, een en ander uitvoerbaar bij voorraad. [geïntimeerde] heeft in het principaal hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en tot afwijzing van de in hoger beroep vermeerderde vorderingen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van Lenting in de proceskosten van het hoger beroep, inclusief de nakosten, en te vermeerderen met de wettelijke rente. In het incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde] geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, Lenting alsnog in de proceskosten van de eerste aanleg zal veroordelen, alsmede Lenting zal veroordelen tot terugbetaling aan [geïntimeerde] van hetgeen [geïntimeerde] reeds in dat kader aan Lenting heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag der voldoening. Lenting heeft in het incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot afwijzing daarvan. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 3Feiten De rechtbank heeft onder 2.1 tot en met 2.6 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Waar nodig aangevuld met andere onomstreden feiten, zijn deze de volgende. 3.1. Lenting Groep (als huurder) heeft op 18 december 2017 met [geïntimeerde] (als verhuurder) een huurovereenkomst gesloten ten aanzien van een destijds nog te ontwikkelen pand in [plaats] (hierna: het pand of het gehuurde). Lenting Verhuur is een volle dochter van Lenting Groep. Alle ten behoeve van het pand aangeschafte zaken zijn in deze dochtervennootschap ondergebracht. Lenting Groep huurde ook haar vorige bedrijfsruimte van [geïntimeerde] . 3.2. De huurovereenkomst is ingegaan op 1 juli 2019 met een looptijd van vijf jaar, met de mogelijkheid tot verlenging. De aanvangshuurprijs bedroeg € 76.000,00 per jaar. In de huurovereenkomst is een koopoptie voor Lenting opgenomen. Verder hebben partijen afgesproken dat het pand al op 1 februari 2019 werd opgeleverd en door Lenting werd aanvaard in de staat waarin het zich dan bevond, zodat Lenting in de vijf volgende maanden zelf aanpassingen en investeringen in het gehuurde kon aanbrengen. 3.3. In een zogenaamde ‘kruisjeslijst’, als bijlage aangehecht aan de huurovereenkomst, hebben partijen opgenomen welke voorzieningen door de verhuurder respectievelijk de huurder zouden worden bekostigd. In de kruisjeslijst staat een kruisje bij de verhuurder bij de voorziening: ‘ventilatie/klimaat/koeling, epc [het hof begrijpt: energie prestatie coëfficiënt] volgens bouwbesluit’. 3.4. Op 11 december 2017 heeft [geïntimeerde] aan Lenting een e-mail gezonden. Deze houdt in, voor zover van belang: Hierbij de omschrijving t.a.v. de te leveren en monteren van de klimaatinstallatie zoals afgesproken. Bijgesloten was een e-mail van [X] Klimaattechniek BV (hierna: [X] ) gericht aan [geïntimeerde] met informatie over een zogenaamd VRF-systeem. Het onderwerp van deze e-mail luidt als volgt: ‘ontwerptekst klimaatinstallatie nieuwbouw bedrijfsruimte met kantoren te [plaats]’. 3.5. Een e-mail van 6 november 2018 van Lenting aan [geïntimeerde] houdt in, voor zover van belang: We willen o.a. de volgende punten bespreken: - Tekeningen en berekeningen klimaat technische installaties ( tot op heden niet ontvangen ! ). 3.6. Een e-mail van 12 december 2018 van Lenting aan [geïntimeerde] houdt in, voor zover van belang: Bijgaand voorstel klimaatsysteem. Dit (zoals reeds telefonisch is aangegeven ) omdat we geen inzicht hebben en geen vertrouwen hebben in de stand alone produkten van [naam 1] . Bij deze e-mail is onder meer een pdf-bestand gevoegd met als titel: ‘Ontwerp VRF’. 3.7. Een e-mail van 20 februari 2019 van Lenting aan [geïntimeerde] houdt in, voor zover van belang: Zie onder en bijgaand . Wil jij M&O techniek formeel opdracht geven ? Bij deze mail is doorgestuurd een e-mail van Technisch Adviesbureau Kaandorp (verder: Kaandorp) aan Lenting van 19 februari 2019. Deze e-mail houdt in, voor zover van belang: In de bijlage de kostenraming op basis van de offerte van Klimakoel. (…) Zoals besproken is M&O de hoofdaannemer van de installaties inclusief VRF. (…) De totale raming bedraagt nu € 88.672 ex BTW. 3.8. Lenting heeft rond februari 2019 opdracht gegeven aan M&O Techniek voor de installatie van een VRF-systeem. Een e-mail van Lenting van 4 maart 2019 aan [geïntimeerde] houdt in, voor zover van belang: Ik stel voor dat Lenting Verhuur BV opdrachtgever wordt aan M&O Techniek om de klimaatinstallatie te realiseren (…). In het 3e kwartaal 2019 zullen we de installatie in rekening brengen (of verrekenen met andere posten) (…). Is dit akkoord [naam 2] ? 3.9. Een e-mail van 10 februari 2020 van [naam 3] Administratiekantoor aan [geïntimeerde] houdt in, voor zover van belang: Investering = € 85.000 Belastingvoordeel = € 13.575 Netto investering = € 71.425. 3.10. Op 7 april 2020 heeft Lenting Verhuur aan [geïntimeerde] een factuur voor een bedrag van € 76.502,00 exclusief btw gezonden onder vermelding van ‘Doorberekening klimaatinstallatie conform opgave’. Deze factuur heeft betrekking op de klimaatinstallatie zoals geleverd en geïnstalleerd door M&O Techniek. [geïntimeerde] heeft deze factuur niet betaald. 3.11. Op een door Lenting verzonden betalingsherinnering heeft [geïntimeerde] op 8 juni 2020 per e-mail geantwoord, voor zover van belang: De factuur wordt geregeld nadat ik met [naam 4] en [naam 5] [het hof begrijpt: de directeuren van Lenting] het geheel heb afgerond. 3.12. Bij ‘Overeenkomst van cessie c.q. lastgeving’ van 24 februari 2022 hebben Lenting Groep en Lenting Verhuur bepaald dat de vordering op [geïntimeerde] die in deze procedure aan de orde is, door Lenting Groep wordt gecedeerd aan Lenting Verhuur. Verder is bepaald dat Lenting Verhuur zo nodig optreedt als lasthebber tot incasso namens Lenting Groep. 4Eerste aanleg 4.1. Lenting heeft in eerste aanleg gevorderd, voor zover in hoger beroep nog van belang, dat [geïntimeerde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van de factuur van € 76.502,00 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 21 april 2020. Daarnaast heeft Lenting gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van (daadwerkelijk gemaakte) buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente, en tot betaling van de proceskosten. Lenting heeft daaraan, voor zover in hoger beroep nog van belang, ten grondslag gelegd dat partijen zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] de klimaatinstallatie in het pand zou betalen. Partijen hebben gezamenlijk gekozen voor een VRF-installatie met de daarbij behorende prijs. [geïntimeerde] moet de factuur dus betalen op grond van nakoming van de afspraak. 4.2. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. Samengevat heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat partijen niet zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] zou betalen voor een VRF-systeem als klimaatinstallatie. [geïntimeerde] zou betalen voor een klimaatinstallatie zoals deze ook aanwezig is in een ander pand van [geïntimeerde] , namelijk met ‘stand alone’ producten van leverancier [naam 1] . Door zelf voor een duurdere installatie te kiezen heeft Lenting afstand gedaan van het recht op betaling door [geïntimeerde] . Subsidiair geldt dat [geïntimeerde] maximaal ongeveer € 17.000,00 zou moeten betalen, op basis van de offerte van [naam 1] . 4.3. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vordering van Lenting tot een bedrag van € 17.330,25 toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten (op basis van tarief II). De rechtbank heeft de gevorderde wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten afgewezen. Ten aanzien van de toegewezen hoofdsom heeft de rechtbank het volgende overwogen. Tussen partijen staat vast dat door middel van de kruisjeslijst is overeengekomen dat [geïntimeerde] de kosten van de klimaatinstallatie voor zijn rekening zou nemen. Niet is komen vast te staan dat partijen zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] zou betalen voor een VRF-systeem als klimaatinstallatie in het pand. [geïntimeerde] is dus niet op die grond gehouden om de factuur te betalen. Van het doen van afstand door Lenting van het recht op betaling van de klimaatinstallatie is niet gebleken. [geïntimeerde] heeft erkend dat er in februari 2019 nog een warmtepomp moest worden aangebracht en dat de kosten daarvan voor zijn rekening kwamen. Uit het door Lenting overgelegde overzicht (productie 19 bij de inleidende dagvaarding) blijkt dat de kosten voor een warmtepomp van [naam 1] € 17.330,25 bedroegen. Dit bedrag wordt dan ook toegewezen, aldus steeds de rechtbank. 5Beoordeling De wijziging van eis in het principaal hoger beroep 5.1. Lenting heeft in het principaal hoger beroep haar eis vermeerderd en vordert thans in totaal een bedrag van € 72.078,75. Dit bedrag bestaat uit: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.