GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I Zaaknummer gerechtshof: 200.188.710/01 Zaaknummer rechtbank: 3232120 \ CV EXPL 14-14047 arrest van 17 december 2024 in de zaak van Dexia Nederland B.V., gevestigd in Amsterdam, appellante, hierna aan te duiden als Dexia, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , wonende in [plaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam. 1De procedure in eerste aanleg Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 21 oktober 2015. 2De procedure in hoger beroep 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; het herstelexploot; de memorie van grieven met producties; het tussenarrest van 4 oktober 2016, waarin een regiecomparatie is gelast; het proces-verbaal van de regiecomparitie van 12 december 2016. 2.2. De procedure is vervolgens in overleg met partijen aangehouden in afwachting van de antwoorden van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) op de door het hof bij arrest van 5 maart 2019 gestelde prejudiciële vragen. 2.3. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: de akte uitlaten jurisprudentie van Dexia met productie; de memorie van antwoord tevens houdende antwoordakte met producties; de akte uitlaten producties van Dexia; de antwoordakte van [geïntimeerde] . 2.4. Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De kern van de zaak 3.1. Deze zaak gaat over een effectenleaseovereenkomst, tot stand gekomen tussen Dexia en [geïntimeerde] via een tussenpersoon (Spaar Select). Dexia heeft bij de totstandkoming daarvan haar waarschuwingsplicht geschonden. In deze procedure gaat het in de kern om de vraag of [geïntimeerde] door deze tussenpersoon is geadviseerd. Deze tussenpersoon beschikte niet over de daarvoor vereiste vergunning. Als deze tussenpersoon beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist dan wel behoorde te weten, moet Dexia de volledige schade van [geïntimeerde] vergoeden. 3.2. Dexia heeft na wijziging van eis gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia aan [geïntimeerde] primair niets meer verschuldigd is, dan wel subsidiair een schadevergoeding conform het hofmodel verschuldigd is voor zover dit komt boven hetgeen zij al aan [geïntimeerde] heeft uitgekeerd, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met wettelijke rente. De kantonrechter heeft de vordering van Dexia afgewezen. 4De beoordeling 4.1. Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld. Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen. 4.2. Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de weergave van de vorderingen van Dexia en de grondslagen daarvan. Deze weergave is in hoger beroep niet bestreden. 4.3. In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen. 4.4. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. Verjaring 4.5. Het beroep van Dexia op verjaring van de vorderingen van [geïntimeerde] gaat niet op. De vordering van [geïntimeerde] is gebaseerd op een onrechtmatige daad van Dexia. Een dergelijke vordering verjaart na verloop van vijf jaar vanaf het moment waarop [geïntimeerde] daadwerkelijk bekend was geworden met de schade en de aansprakelijke persoon of personen (artikel 3:310 lid 1 BW), in dit geval na beëindiging van de overeenkomst. De verjaring kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW). Anders dan Dexia lijkt te betogen, kan aan een mededeling als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW niet de eis worden gesteld dat daarin een precieze feitelijke en juridische inkleding wordt gegeven waarop het vorderingsrecht zijn grondslag vindt. 4.6. [geïntimeerde] heeft Dexia een (eerste) sommatiebrief gestuurd, binnen vijf jaar na de beëindiging van de effectenleaseovereenkomst. In die sommatiebrief heeft [geïntimeerde] zich onder meer beroepen op artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad) en heeft [geïntimeerde] Dexia gesommeerd om alle door [geïntimeerde] onder de effectenleaseovereenkomst betaalde bedragen terug te betalen. Voor Dexia was het daarom duidelijk (althans had het duidelijk moeten zijn) dat [geïntimeerde] hiermee beoogde de verjaring te stuiten van de vordering tot vergoeding van schade die [geïntimeerde] op grond van de effectenleaseovereenkomst had geleden. 4.7. Vervolgens zijn steeds binnen een termijn van vijf jaar door de gemachtigde van [geïntimeerde] meerdere stuitingsbrieven aan Dexia gezonden. Gelet op de WCAM-procedure en de verwijten die in het verzoekschrift d.d. 18 november 2005 waren opgenomen, was het voor Dexia voldoende duidelijk welke verwijten haar werden gemaakt ten aanzien van de door haar aangeboden effectenleaseovereenkomsten (het schenden van de vergunningsplicht door tussenpersonen wordt daar genoemd). Daarmee was het voor Dexia duidelijk welke feiten aanleiding gaven tot het instellen van de vorderingen en op welke juridische grondslagen die vorderingen werden gebaseerd. Gelet op deze context voldeden de brieven aan de vereisten die artikel 3:317 lid 1 BW aan een geldige stuiting stelt. Dit betekent dat met genoemde brieven de verjaring van de vordering van [geïntimeerde] steeds tijdig is gestuit, gelet op de verjaringstermijn van vijf jaar die op grond van artikel 3:310 lid 1 BW geldt. 4.8. Voor zover Dexia stelt dat de vordering gebaseerd op de schending van artikel 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 is verjaard, gaat dit verweer niet op omdat het hier niet gaat om een vordering van [geïntimeerde] gebaseerd op schending van artikel 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999. Dit artikel wordt alleen behandeld in het kader van de bij een beroep van Dexia op eigen schuld aan de zijde van [geïntimeerde] in acht te nemen billijkheidsafweging. 4.9. Ook het beroep van Dexia op schending van de klachtplicht faalt. Daarbij merkt het hof op dat niet volledig duidelijk is ten aanzien van welke vorderingen van [geïntimeerde] Dexia zich op de klachtplicht beroept. Indien Dexia de schending van de klachtplicht aanvoert met het oog op de vordering van [geïntimeerde] uit hoofde van de billijkheidscorrectie dan wel onrechtmatige daad wegens het schenden van het verbod om te contracteren, gaat dit beroep niet op. In dat geval gaat het om een onrechtmatige daad vanwege het handelen in strijd met een wettelijk verbod (artikel 41 NR 1999) en dat valt niet onder het bereik van artikel 6:89 BW. Indien het beroep op de klachtplicht betrekking heeft op de vorderingen betreffende de schending van de waarschuwingsplicht of indien de klachtplicht anderszins van toepassing zou zijn, geldt dat namens [geïntimeerde] de eerste sommatiebrief aan Dexia is gestuurd, waarin de onrechtmatige daad en wanprestatie zijn genoemd als mogelijke grondslagen van de vordering. Vanwege deze brief, gelezen in de context van onder meer het verzoekschrift in de WCAM-procedure zoals overwogen ten aanzien van de verjaring, moet het Dexia duidelijk zijn geweest dat [geïntimeerde] zich beklaagde over de handelwijze van Dexia ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst, waaronder een schending van de op haar jegens [geïntimeerde] rustende zorgplichten in de precontractuele fase. De brief dient daarom als een klacht te worden aangemerkt. Anders dan Dexia aanvoert, is zij bovendien niet in haar belangen geschaad doordat [geïntimeerde] niet eerder dan bij de eerste sommatiebrief heeft geklaagd. Zoals hierna zal worden geoordeeld, had Dexia immers zelf bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met [geïntimeerde] navraag moeten doen bij Spaar Select naar de aard van de betrokkenheid van Spaar Select. buitengerechtelijke kosten 4.10. Verder grieft Dexia tegen de beslissing van de kantonrechter dat [geïntimeerde] een vordering heeft op Dexia in verband met door Leaseproces verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden. In de rechtspraak is beslist dat de door Leaseproces voor opdrachtgevers zoals [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden – advisering over de kansen en mogelijkheden van een schikking of procedure in verband met de Duisenberg-regeling, de arresten van het gerechtshof Amsterdam en van de Hoge Raad uit 2009, de relevante rechtspraak nadien, het opstellen en versturen van de “opt-out” verklaring, een sommatiebrief en brieven ter stuiting van de verjaring – niet als buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590). Dit betekent dat deze grief van Dexia slaagt. Devolutieve werking 4.11. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt met zich dat het hof toekomt aan de verdere beoordeling van de vraag of [geïntimeerde] andere gronden heeft aangevoerd waardoor de door Dexia gevorderde verklaring voor recht moet worden afgewezen. Advisering Spaar Select 4.12. Dexia voert aan dat Spaar Select geen vergunningplichtig advies aan [geïntimeerde] heeft gegeven en dat Dexia in elk geval niet wist of behoorde te weten van dergelijke advisering door Spaar Select. 4.13. Tussen partijen staat vast dat de effectenleaseovereenkomst tussen Dexia en [geïntimeerde] tot stand is gekomen door tussenkomst van Spaar Select die als bemiddelaar optrad. Daarmee is Spaar Select bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst opgetreden als effectenbemiddelaar in de zin van (het destijds geldende) artikel 1b onder 1 Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995). Een effectenbemiddelaar die mogelijke cliënten aanbrengt bij een effecteninstelling, wordt ook cliëntenremisier genoemd. 4.14. De Hoge Raad heeft geoordeeld (ECLI:NL:HR:2016:2012) dat Nederland in de Wte 1995 gebruik heeft gemaakt van de in Richtlijn 93/22/EEG van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (Richtlijn Beleggingsdiensten) geboden mogelijkheid om strengere regels van toepassing te verklaren. De Wte 1995 moet volgens de Hoge Raad zo worden uitgelegd dat indien een cliëntenremisier zich niet beperkt tot het aanbrengen van een potentiële belegger bij een beleggings- of effecteninstelling, maar hij die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, de aldus handelende cliëntenremisier over een vergunning dient te beschikken. Dit is inmiddels vaste jurisprudentie van de Hoge Raad en het hof ziet in het betoog van Dexia onvoldoende grond om op dit punt anders te oordelen of hierover prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad of het Hof van Justitie van de Europese Unie. 4.15. Spaar Select had geen vergunning zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 Wte 1995, om als effectenbemiddelaar diensten aan te bieden. Het stond Spaar Select als cliëntenremisier niet vrij om zonder vergunning mede op te treden als beleggingsadviseur. Zij kon echter aanspraak maken op de generieke vrijstelling van artikel 12 lid 1 Vrijstellingsregeling Wte 1995 om cliënten aan te brengen bij een effecteninstelling zoals Dexia, die zelf over een vergunning beschikte. De reden van deze vrijstelling was dat de instelling bij wie de cliënt werd aangebracht, zelf al aan toezicht was onderworpen, dan wel daarvan was vrijgesteld. Artikel 41 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (en voorheen artikel 25 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1995) verbood Dexia om een effectenleaseovereenkomst met een cliënt aan te gaan indien zij wist of behoorde te weten dat de daarbij optredende tussenpersoon, zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, tevens als financieel adviseur was opgetreden. Deze laatste omstandigheid – het contracteren in weerwil van dit verbod – moet Dexia in een dergelijk geval bij de toepassing van artikel 6:101 BW zwaar worden aangerekend. Bij effectenleaseovereenkomsten die op deze manier tot stand zijn gekomen, is de inhoud van het advies niet meer van belang, evenmin als een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het aan te schaffen product. Dexia had de afnemer immers hoe dan ook moeten weigeren. De billijkheid vereist dan in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat betreft de reeds betaalde rente, aflossing en kosten. Dit geldt ook als de mogelijke financiële gevolgen van de effectenleaseovereenkomst geen onaanvaardbaar zware last vormden (ECLI:NL:HR:2016:2012 en ECLI:NL:HR:2018:1935). 4.16. Kortom, voor de beantwoording van de vraag of de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, moet worden beoordeeld of: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.