← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2024:3565

afdeling strafrecht parketnummer: 23-000487-24 datum uitspraak: 18 juli 2024 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 28 februari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 96-221052-23 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 juli

  1. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en haar raadsman naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: zij op of omstreeks 16 maart 2022 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig (tweewielige bromfiets) heeft gereden op de weg, Kamerlingh Onneslaan, zonder dat aan haar door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Bespreking verweer De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het proces-verbaal van overtreding van verbalisant [verbalisant 1] ‘niet deugt’ omdat er onjuistheden in staan. Het proces-verbaal kan om die reden niet voor het bewijs gebezigd worden en dan blijft er onvoldoende bewijs over om tot een bewezenverklaring te komen. Ook ‘klopt het niet’, aldus de raadsman dat deze verbalisant processen-verbaal van andere verbalisanten heeft ondertekend om het te doen lijken of de bewijsmiddelen rechtmatig tot stand zijn gekomen. Voor zover de raadsman heeft bedoeld aan te voeren dat een en ander zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting op grond van artikel 359a Sv overweegt het hof als volgt. Van de verdediging mag worden verlangd, als zij een beroep doet op een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in het tweede lid van die bepaling vermelde factoren wordt aangegeven tot welk in artikel 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. De eerste factor is “het belang dat het geschonden voorschrift dient”. De tweede factor is “de ernst van het verzuim”. De derde factor is “het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt”. Alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven (vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533). De raadsman heeft weliswaar bewijsuitsluiting bepleit, maar heeft dit betoog niet gemotiveerd aan de hand van voormelde factoren. Het betoog van de raadsman blijft daarom verder onbesproken. Overigens is het hof van oordeel dat – hoewel de processen-verbaal niet in alle opzichten de schoonheidsprijs verdienen – er ambtshalve onvoldoende aanleiding bestaat om tot uitsluiting van enig bewijsmiddel over te gaan, nu er uit het geheel van deze processen-verbaal wel volgt hoe het gebruik van bevoegdheden heeft plaatsgevonden en niet kan worden geconcludeerd dat daar onrechtmatigheden aan kleven die tot bewijsuitsluiting zouden moeten leiden. Bewijsmiddelen
  2. Een proces-verbaal van bevindingen van 16 maart 2022 met nummer 1701254025208341, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] [ongenummerd]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de verbalisant, zakelijk weergegeven: Op woensdag 16 maart 2022 bevond ik mij op de Kamerlingh Onneslaan te Amsterdam. Ik zag dat er twee personen op een snorfiets reden. Ik zag dat de bestuurder en de bijrijder geen helm op hadden. Ik heb de bestuurder staande gehouden. Ik vroeg aan de bestuurder haar rijbewijs. Ik hoorde de betrokkene zeggen: deze heb ik niet. Gegevens betrokkene: Naam: [verdachte] Geboortedatum en plaats: [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats]
  3. Een proces-verbaal van bevindingen van 16 maart 2022, met nummer PL1300-2022051261-3 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 3] [ongenummerd]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de verbalisanten, zakelijk weergegeven: Op woensdag 16 maart 2022 kwamen wij ter plaatse op de Kamerlingh Onneslaan te Amsterdam. Wij zagen een persoon die later bleek te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] in Nederland. Wij hoorden de medewerkers van de Gemeente handhaving zeggen dat ze [verdachte] op de openbare weg zagen rijden, op een snorfiets zonder helm. Tijdens het controleren in het gesloten politiesysteem bleek dat [verdachte] niet in het bezit was van een rijbewijs.
  4. Een geschrift, zijnde een RDW-bevraging [ongenummerd]. Dit geschrift houdt onder meer, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in: Identiteit: [verdachte] Geboren [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] Rijbewijs: geen registratie in CBR. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: zij op 16 maart 2022 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig (tweewielige bromfiets) heeft gereden op de weg, Kamerlingh Onneslaan, zonder dat aan haar door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet
  5. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De kantonrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 16 uren, subsidiair 8 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de kantonrechter beslist tot verbeurdverklaring van de onder de verdachte in beslaggenomen bromfiets. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke werkstraf van 32 uren, subsidiair 16 dagen jeugddetentie. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat de inbeslaggenomen bromfiets wordt teruggegeven aan de verdachte. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het besturen van een bromfiets zonder dat zij daarvoor een rijbewijs had. Dit is een overtreding waardoor de verkeersveiligheid in gevaar wordt gebracht of kan worden gebracht. Bovendien is de verdachte, als zij deelneemt aan het gemotoriseerd verkeer zonder dat zij een rijbewijs heeft, niet verzekerd. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 25 juni 2024 is zij eerder onherroepelijk veroordeeld voor het rijden zonder rijbewijs. Dit heeft de verdachte er niet van weerhouden zich wederom aan dit delict schuldig te maken, hetgeen het hof in het nadeel van de verdachte weegt. Omdat het hof over zal gaan tot teruggave van de bromfiets, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een geheel voorwaardelijke werkstraf, zoals door de kantonrechter is opgelegd. Een onvoorwaardelijke werkstraf van 32 uur zoals gevorderd door de advocaat-generaal acht het hof echter te hoog, nu het hof ook rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de verdachte sinds het onderhavige feit geen nieuwe justitiële contacten meer heeft, dat zij ter terechtzitting in hoger beroep wel heeft laten blijken in te zien dat zij anders had moeten handelen en dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke werkstraf van 16 uren passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63, 77a, 77g, 77h, 77m en 77n van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 107 en 177 van de Wegenverkeerswet
  6. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 16 (zestien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 8 (acht) dagen jeugddetentie. Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 STK Bromfiets (Omschrijving: PL1300-2022051261-G5849457, PIAGGIO, chassisnr: [nummer] , bouwjaar 2019) . Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.J. van der Wilt, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. N.R.A. Meerbeek, in tegenwoordigheid van mr. D. Damman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 juli
  7. mr. N.R.A. Meerbeek is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.