proces-verbaal terechtzitting GERECHTSHOF AMSTERDAM datum arrest 24 september 2024 parketnummer 23-001182-23 datum vonnis eerste aanleg 5 april 2023 parketnummer 96-004262-22 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, enkelvoudige kamer, op 24 september
- Tegenwoordig: mr. N.A. Schimmel raadsheer, en R.S. Toornvliet griffier. Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. E. Lodder, advocaat-generaal. De raadsheer doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen. De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op vragen van de raadsheer te zijn: [verdachte] geboren [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats] [adres] Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. H. Polat, advocaat te Haarlem. De raadsheer vermaant de verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is. De advocaat-generaal draagt de zaak voor. De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven. Hij verklaart: Ik ben ten onrechte veroordeeld. Ik ben niet degene geweest die heeft gereden. Het zou kunnen dat iemand anders een vals kenteken gehad heeft. Waarom zou ik anders nooit eerder een boete hebben ontvangen? Desgevraagd geven de advocaat-generaal, de raadsman en de verdachte te kennen dat de feiten voldoende besproken zijn. In het kader van de persoonlijke omstandigheden noemt de raadsheer wat bekend is uit het dossier en houdt in dit verband het de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 6 september 2024 voor en deelt mede dat de verdachte vaker met justitie in aanraking is gekomen en dat het bepaalde uit artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. De verdachte verklaart dat hij werkzaam is als koerier. De advocaat-generaal voert het woord, leest de vordering voor en legt die aan het hof over. Hij voert hierbij aan: Aan de hand van flitsers kunnen de verbalisanten zien of een voertuig te hard heeft gereden. Het is niet altijd mogelijk om iemand staande te houden. Volgens de wet is een kentekenhouder verantwoordelijk voor zijn eigen voertuig. Als je een voertuig hebt uitgeleend aan iemand, moet je zelf kunnen achterhalen aan wie dat is geweest. Het is je eigen verantwoordelijkheid om achteraf te kunnen vertellen wie er gereden heeft. De verdachte geeft aan dat hij niet degene is die gereden heeft. Hij suggereert dat misschien iemand anders zijn voertuig heeft gebruikt of dat iemand gebruik maakt van een vals kenteken dat gelijkluidend is aan het kenteken van de motorfiets van de verdachte. Als dit het geval zou zijn, dan had de verdachte hiervan aangifte moeten doen bij de politie. Hij kan verder ook niet aangeven wie er wel gereden zou hebben. Daarom wordt hij als kentekenhouder verantwoordelijk gehouden voor het te hard rijden met zijn voertuig. Het primaire feit is hier bewezen. Ik neem in mijn eis mee dat het een oude zaak is van alweer 4 jaar geleden. Ik heb ook acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, namelijk dat hij als koerier werkzaam is en dat hij ditzelfde feit niet eerder op zijn strafblad heeft staan. Alles meegenomen eis ik een geheel voorwaardelijke rijontzegging van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een geldboete van 800 euro subsidiair 16 dagen hechtenis. De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt: Mijn cliënt heeft destijds ook bij de politie aangegeven dat iemand anders op zijn motorfiets zou hebben gereden. Er is toen gekeken of de zaak geschikt kon worden, maar dit heeft mijn cliënt niet gedaan omdat hij er bij blijft dat hij niet degene is geweest die gereden heeft die dag. Toch is er iemand geweest die op zijn motorfiets te hard heeft gereden op de snelweg. Hierop kunnen verschillende scenario’s van toepassing zijn, namelijk dat zijn motor gestolen was, dat de motor aan iemand uitgeleend werd of dat iemand anders hetzelfde kenteken heeft. Mijn cliënt heeft aangegeven dat van de eerste twee opties geen sprake kan zijn. Wel is hij ervan overtuigd dat iemand anders hetzelfde kenteken heeft als zijn eigen voertuig. Als iemand een kopie van jouw kenteken heeft, kan je niet zeggen dat de verantwoording voor dat voertuig bij jou ligt. De motorfiets is niet staande gehouden en daarna heeft de politie ook niet gekeken of ze na het flitsen het juiste kenteken hadden. In deze zaak is onvoldoende bewijs. Ik verzoek het hof daarom mijn cliënt vrij te spreken van dit feit. De advocaat-generaal persisteert. Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De raadsheer verklaart het onderzoek gesloten en deelt mee terstond mondeling arrest te zullen wijzen. De raadsheer spreekt het arrest uit ter openbare terechtzitting. AANTEKENING VAN HET MONDELING ARREST Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: primair een bij de ontdekking van het hierna omschreven strafbaar feit onbekend gebleven bestuurder van een motorvoertuig (motorfiets), gekentekend [kenteken] , op of omstreeks 20 september 2020 te Diemen op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A9, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord A1 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk bord een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur was aangegeven - heeft gereden met een snelheid van ongeveer 157 kilometer per uur, in elk geval de aldaar toegestane maximumsnelheid met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden, terwijl verdachte toen eigenaar of houder, als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, van dat motorvoertuig was. subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: dat hij op of omstreeks 20 september 2020 te Diemen als bestuurder van een motorvoertuig (motorfiets) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A9, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord A1 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk bord een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur was aangegeven - heeft gereden met een snelheid van ongeveer 157 kilometer per uur, in elk geval de aldaar toegestane maximumsnelheid met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering. Bewijsoverweging De raadsman heeft het hof verzocht de verdachte vrij te spreken. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het kenteken weliswaar gelijkluidend is aan dat van de verdachte, maar dat dit niet automatisch tot de conclusie moet leiden dat het de motorfiets van de verdachte betreft, nu er ook een tal van andere scenario’s mogelijk zijn. Nu dit niet kan worden uitgesloten is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs, aldus de raadsman. Het hof overweegt als volgt Het verweer van de verdediging berust enkel op aannames die een begin van aannemelijkheid ontberen. Op 20 september 2020 is op een motorfiets de snelheid overtreden. Het kenteken staat op de naam van de verdachte. De verdachte is als kentekenhouder verantwoordelijk, ook als hij niet de feitelijke overtreder is geweest ten tijde van de overtreding. Dat de verdachte niet weet wie op zijn motor gereden heeft, komt voor zijn eigen rekening. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan met dien verstande dat: primair een bij de ontdekking van het hierna omschreven strafbaar feit onbekend gebleven bestuurder van een motorvoertuig (motorfiets), gekentekend [kenteken] , op 20 september 2020 te Diemen op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A9, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord A1 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk bord een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur was aangegeven - heeft gereden met een snelheid van ongeveer 157 kilometer per uur, , terwijl verdachte toen eigenaar of houder, als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, van dat motorvoertuig was; Bewijsmiddelen De in de bewijsmiddelen opgenoemde feiten en omstandigheden leveren de redengevende feiten en omstandigheden op, waarop de beslissing van het hof steunt, dat het primair ten laste gelegde en bewezen geachte feit door verdachte is begaan.
- Een proces-verbaal van overtredingvan 19 januari 2022 opgesteld door de daartoe bevoegd opsporingsambtenaar [verbalisant] . Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verbalisant voornoemd: Op 20 september 2020 zag ik te Diemen, op de Rijksweg A9 een motorfiets, merk PIAGGO gekentekend [kenteken] , rijden. Ter plaatse was de toegestane snelheid 100 kilometer per uur. De werkelijke snelheid stelde ik vast met behulp van de gekalibreerde boordsnelheidsmeter van het dienstvoertuig door met een constante snelheid te blijven rijden. De gereden snelheid was na correctie 157 kilometer per uur.
- Geschrift, zijnde een RDW-bevraging van 20 september
- Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Kenteken: [kenteken] Merk PIAGGO Voertuigcategorie Motorfiets Kentekenhouder [verdachte] , geboren [geboortedag]
- Het hiervoor vermelde bewijsmiddel, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, is slechts gebezigd in verband met de inhoud van het andere bewijsmiddel. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het primair bewezen verklaarde levert op: overtreding van het bepaalde bij artikel 62, bord A 62 van bijlage I, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, begaan door een bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder van een motorrijtuig. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De kantonrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte ter zake het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van een bedrag van 800 euro, bij niet voldoen te vervangen door 16 dagen hechtenis. Daarnaast is de verdachte veroordeeld tot een rijontzegging voor de duur van 4 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van een bedrag van 800 euro bij niet voldoen te vervangen door 16 dagen hechtenis. Daarbij heeft de advocaat-generaal een voorwaardelijke rijontzegging van de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren gevorderd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en gelet de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft bij de strafoplegging in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft met zijn motorvoertuig de maximumsnelheid aanzienlijk overschreden heeft. Door te handelen zoals de verdachte heeft gedaan, heeft hij de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer ernstig veronachtzaamd. Er is sprake van overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, nu het feit is gepleegd op 20 september 2020 en er eerst op 5 april 2023 vonnis is gewezen. Deze overschrijding wordt evenwel gecompenseerd door de relatief vlotte behandeling in hoger beroep, zodat in totaal sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met slechts 4 dagen. Het hof volstaat met constatering hiervan. Het hof acht, alles afwegende, een geldboete en een voorwaardelijke rijontzegging van na te melden hoogte passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 62 en 92 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 177, 179 en 181 van de Wegenverkeerswet
- BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Ten aanzien van het primair bewezenverklaarde Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 800,00 (achthonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 (zestien) dagen hechtenis. Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) maanden. Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. De raadsheer geeft aan verdachte kennis dat hij binnen 14 dagen beroep in cassatie kan instellen tegen dit arrest en maakt hem opmerkzaam op zijn recht om ter terechtzitting van dat recht afstand te doen. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.