← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2024:3746

afdeling strafrecht parketnummer: 23-002898-21 datum uitspraak: 10 januari 2024 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 oktober 2021 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-278380-19 (hierna: zaak A) en 15-079314-21 (hierna: zaak B) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 december 2023 en 10 januari 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is bij akte van 28 oktober 2021 beperkt hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis, namelijk enkel voor zover dit ziet op de veroordelingen in zaak A onder feit 1 en feit 2 en in zaak B onder feit 3. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht. Tenlasteleggingen Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep aan de orde, tenlastegelegd dat: Zaak A: 1. primairhij op of omstreeks 18 november 2019 te Duivendrecht, in de gemeente Ouder-Amstel, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachte rade, [benadeelde 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen met dat opzet en na kalm beraad en/of rustig overleg, (meermalen) op/tegen het hoofd van die [benadeelde 1] heeft/hebben geslagen en/of met een vuurwapen meermalen in de richting van die [benadeelde 1] heeft/hebben geschoten; subsidiair hij op of omstreeks 18 november 2019 te Duivendrecht in de gemeente Ouder-Amstel, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [benadeelde 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen met dat opzet (meermalen) op/tegen het hoofd van die [benadeelde 1] heeft/hebben geslagen en/of met een vuurwapen meermalen in de richting van die [benadeelde 1] heeft/hebben geschoten welke voren omschreven poging doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten poging diefstal met geweld van een horloge en/of (een) (andere) goederen toebehorende aan die [benadeelde 1] ; meer subsidiair hij op of omstreeks 18 november 2019 te Duivendrecht in de gemeente Ouder-Amstel, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [benadeelde 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen met dat opzet (meermalen) op/tegen het hoofd van die [benadeelde 1] heeft/hebben geslagen en/of met een vuurwapen meermalen in de richting van die [benadeelde 1] heeft/hebben geschoten; meest subsidiair hij op of omstreeks 18 november 2019 te Duivendrecht , in de gemeente Ouder-Amstel, elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een horloge en/of (een) andere goederen van zijn/hun gading, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(

  1. s)toebehoorde(n), te weten aan [benadeelde 1] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 1] en/of [slachtoffer 1] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(
  2. s)aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, - ( meermalen) op/tegen het hoofd van die [benadeelde 1] heeft/hebben geslagen en/of - met een vuurwapen in de richting van de benen van die [benadeelde 1] heeft/hebben geschoten en/of - tegen die [benadeelde 1] op (dreigende toon ) heeft/hebben gezegd: “Klokjes af doen” en/of “Geef mij jouw horloge” en/of “Geef mij je tas” en/of - een vuurwapen op die [slachtoffer 1] heeft/hebben gericht; en/of - vuurwapen meermalen meermalen heeft/hebben doorgeladen en/of afgedrukt en/of - met een vuurwapen op het hoofd van die [benadeelde 1] heeft/hebben geslagen; 2.hij op of omstreeks 18 november 2019 tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad; Zaak B: 3.hij op of omstreeks 18 februari 2021 te Bovenkarspel en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een of meer geld- en/of betaalautomaten heeft weggenomen hoeveelheden of een hoeveelheid geld (met een totaal bedrag van 4970 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(
  3. s)zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijf heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel nl. een onrechtmatig verkregen, althans een onbevoegd gebruikte, pinpas met bijbehorende pincode. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Vrijspraak zaak A feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in zaak A onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Nu de advocaat-generaal dit ook heeft gevorderd, terwijl dit eveneens is bepleit door de raadsvrouw, wordt dit oordeel niet nader door het hof gemotiveerd. Bewijsoverweging zaak A feit 1 meest subsidiair Het hof neemt over de bewijsoverweging van de rechtbank opgenomen in het vonnis waarvan beroep onder paragraaf 3.3.2. Hetgeen door de verdediging in hoger beroep is aangevoerd brengt het hof niet tot een ander oordeel. Bewijsoverweging zaak A feit 2 De advocaat-generaal heeft overeenkomstig haar schriftelijk requisitoir geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde wapenbezit. Zij schaart zich achter het oordeel van de rechtbank over de bewezenverklaring van feit 2, zonder dat een rapport van een wapendeskundige in het dossier zit, en heeft daarnaar verwezen. De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig haar pleitnota op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken omdat het door de verdachte gebruikte wapen niet is aangetroffen en op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld welke soort (categorie) wapen de verdachte op de dag van incident voorhanden had. Het hof overweegt als volgt. De verdachte heeft bekend dat hij degene is met een wapen in zijn hand op de camerabeelden van de wasstraat in Duivendrecht, dat hij een wapen is gaan halen toen hij [benadeelde 1] daar op 18 november 2019 had gezien en is teruggekeerd naar de wasstraat. Hij wist naar eigen zeggen dat er één kogel in het wapen zat en hij heeft verklaard dat hij een schot heeft gelost, hetgeen naast diverse verklaringen ook blijkt uit het feit dat op de plaats delict een huls is aangetroffen. Het hof is hierdoor van oordeel dat vaststaat dat de verdachte een wapen heeft gebruikt. De vraag is of dit een wapen betrof als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder I van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool. In dit verband acht het hof het proces-verbaal van het wapenonderzoek van 16 april 2020 redengevend en toereikend om aan te nemen dat er sprake is van een wapen van categorie III. Nu de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven om die redengevendheid te ontzenuwen en er geen aanwijzingen in het dossier aanwezig zijn dat het gaat om een wapen van categorie II, is het hof van oordeel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte het ten laste gelegde wapen (en de munitie) aanwezig heeft gehad en dat hij ook over dat wapen (en de munitie) heeft kunnen beschikken. Daarmee acht het hof bewezen dat verdachte een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 meest subsidiair en 2 en in zaak B onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij: Zaak A: 1. meest subsidiairop 18 november 2019 te Duivendrecht, in de gemeente Ouder-Amstel, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een horloge en/of andere goederen van hun gading toebehorende aan [benadeelde 1] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 1] en [slachtoffer 1] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, op het hoofd van die [benadeelde 1] hebben geslagen en met een vuurwapen in de richting van de benen van die [benadeelde 1] hebben geschoten en tegen die [benadeelde 1] op dreigende toon hebben gezegd: “Klokjes afdoen” en “Geef mij jouw horloge” en “Geef mij je tas” en een vuurwapen op die [slachtoffer 1] heeft gericht. 2.op 18 november 2019 een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad. Zaak B: 3.op 18 februari 2021 te Bovenkarspel, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit geld- en betaalautomaten heeft weggenomen hoeveelheden geld met een totaalbedrag van 4.970 euro, toebehorende aan [slachtoffer 2] , waarbij verdachte de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel namelijk een onbevoegd gebruikte pinpas met bijbehorende pincode. Hetgeen in zaak A onder 1 meest subsidiair en 2 en in zaak B onder 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1 meest subsidiair en 2 en in zaak B onder 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het in zaak A onder 1 meest subsidiair en onder 2 bewezenverklaarde levert op: de eendaadse samenloop van poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III. Het in zaak B onder 3 bewezenverklaarde levert op: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A onder 1 meest subsidiair en 2 en in zaak B onder 3 bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van het voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 1 meest subsidiair en 2 en in zaak B onder 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1.095 dagen waarvan 382 dagen voorwaardelijk. De raadsvrouw heeft het hof verzocht om bij een bewezenverklaring een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft met een ander op gewelddadige wijze geprobeerd het slachtoffer te beroven. Hij heeft op klaarlichte dag, op de openbare weg, bij een autowasstraat, ten overstaan van andere bezoekers van de wasstraat – onder wie kinderen – het slachtoffer en diens vriend bedreigd met een vuurwapen. Toen het slachtoffer niet direct zijn Rolex-horloge wilde afgeven heeft de verdachte hem met het wapen op zijn hoofd geslagen en vervolgens een schot gelost met het vuurwapen richting de benen van het slachtoffer. De verdachte heeft aldus tevens een geladen vuurwapen en munitie voorhanden gehad. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke overvallen vaak langdurig psychische klachten ondervinden. Ook wakkeren dergelijke ernstige feiten in de maatschappij voorkomende gevoelens van angst en onveiligheid aan. Naar het oordeel van het hof is bovendien het ogenschijnlijke gemak waarmee de verdachte uiterst risicovol en gewelddadig gedrag vertoont uiterst zorgwekkend te noemen. Ook het voorhanden hebben van een (geladen) vuurwapen brengt onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen met zich en kan tot zeer gevaarlijke situaties leiden. De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan diefstal van bijna vijfduizend euro, gepind met een pinpas. Uit het politieonderzoek blijkt dat die pinpas korte tijd daarvoor afhandig was gemaakt van een hoogbejaarde vrouw, door haar in haar eigen woning te overlopen. Verdachte heeft zich niet bekommerd om de herkomst van de pinpas, maar heeft alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. Het hof is gelet op de ernst van deze feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan van oordeel dat een gevangenisstraf van aanzienlijke duur, zoals deze in eerste aanleg is opgelegd, op zijn plaats is. Dat geldt des te meer nu de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 december 2023 eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van misdrijven en meer specifiek ten aanzien van mishandeling, bedreiging met een vuurwapen en verboden wapenbezit, hetgeen in zijn nadeel weegt. Het hof zal echter, gezien de persoon van de verdachte, ervoor kiezen om de door de rechtbank opgelegde straf enigszins te matigen. Uit het voortgangsverslag dat is opgemaakt in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling in een andere zaak kan voorzichtig worden afgeleid dat de verdachte een positieve wending aan zijn leven probeert te geven. Hij woont samen, zorgt voor het zoontje van zijn partner, helpt zijn moeder met haar internetwinkel en is vrijwillig gestart met het zogenaamde RAM-project, gericht op terugkeer in de maatschappij. Alles afwegend acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan 2 jaren voorwaardelijk passend en geboden. Het hof stelt echter vast dat in hoger beroep sprake is geweest van overschrijding van de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De verdachte heeft immers op 28 oktober 2021 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof eerst thans op 10 januari 2024 – twee jaar en drie maanden later – arrest wijst. Hierin wordt aanleiding gezien de verdachte in plaats van een gevangenisstraf van 4 jaren waarvan 2 jaren voorwaardelijk, een gevangenisstraf van 3 jaren en zes maanden waarvan 2 jaren voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest op te leggen. Het hof ziet aanleiding om aan de voorwaardelijke straf een langere proeftijd te verbinden en legt aan verdachte een proeftijd voor de duur van vijf jaren op. Een proeftijd langer dan drie jaren kan volgens artikel 14b Sr enkel worden opgelegd als er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam. Nu de verdachte in een schorsing van zijn voorlopige hechtenis in deze zaak en in een proeftijd van een eerdere opgelegde voorwaardelijke straf liep en toch besloot een gewapende beroving te plegen, is hier naar oordeel van het hof sprake van en zal een proeftijd van vijf jaren aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf worden verbonden. Het beslag De advocaat-generaal heeft ten aanzien van de onder de verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven goederen gevorderd te beslissen conform de rechtbank. De raadsvrouw heeft ten aanzien van de onder de verdachte inbeslaggenomen en niet teruggeven goederen de opheffing van het beslag verzocht. Onttrekking aan het verkeer Het hof zal de onttrekking aan het verkeer bevelen van de navolgende voorwerpen, omdat de in zaak A onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten met betrekking tot die voorwerpen zijn begaan en deze van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. in de zaak met parketnummer 13-278380-19: Munitie - huls goednummer 5839052 in de zaak met parketnummer 13-278380-19: Munitie - manteldeeltjes goednummer 5839055 Teruggave aan de verdachte Niet kan worden vastgesteld dat de onder de verdachte inbeslaggenomen iPhones geheel of grotendeels zijn verkregen door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde strafbare feiten, noch dat de bewezenverklaarde strafbare feiten zijn begaan met behulp van of met betrekking tot de telefoons. Derhalve zijn de telefoons niet vatbaar voor verbeurdverklaring en is het hof van oordeel dat de navolgende onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven telefoons aan hem dienen te worden teruggeven: in de zaak met parketnummer 13-278380-19: iPhone goednummer 5847031 in de zaak met parketnummer 15-079314-21: iPhone goednummer 1243098. Conservatoir beslag Gevorderd en bepleit is teruggave van een geldbedrag waarop conservatoir beslag is gelegd, te weten: - in de zaak met parketnummer 15-079314-21: 2.560 EUR; IBGN 12-03-2021 (goednummer 6035783, PV-/Depnr: 2021040230); Het hof zal niet beslissen over dit inbeslaggenomen geldbedrag omdat daarop conservatoir beslag als bedoeld in artikel 94a Wetboek van Strafvordering rust. De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 30 september 2021 aangekondigd voornemens te zijn een ontnemingsvordering aanhangig te maken. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.000,00, ter zake immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering in zijn geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de door haar bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat de vordering in het geheel niet is onderbouwd en dat aangever door de inbreuk geen psychische schade heeft opgelopen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 1 meest subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De begroting van de omvang van de immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast. Hoewel er geen onderbouwing voor psychisch letsel is overgelegd, is het aannemelijk dat iemand psychische schade ondervindt als iemand op klaarlichte dag wordt beschoten en met een wapen op het hoofd wordt geslagen. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar billijkheid schatten op € 2.000,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op de aard en de ernst van de normschending en de ernstige inbreuk de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit van de benadeelde partij. Het hof houdt hierbij rekening met immateriële schadevergoedingen die in soortgelijke gevallen door rechters plegen te worden toegekend. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen. Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 november 2019, tot aan de dag der algehele voldoening. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof tot slot de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36f, 45, 55, 57, 63, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 primair, 1 subsidiair en 1 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 meest subsidiair en 2 en in zaak B onder 3 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het in zaak A onder 1 meest subsidiair en 2 en in zaak B onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren en 6 (zes) maanden . Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) jaren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 5 (vijf) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: in de zaak met parketnummer 13-278380-19: Munitie - huls goednummer 5839052 in de zaak met parketnummer 13-278380-19: Munitie - manteldeeltjes goednummer 5839055 Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: in de zaak met parketnummer 13-278380-19: iPhone goednummer 5847031 in de zaak met parketnummer 15-079314-21: iPhone goednummer 1243098. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in zaak A onder 1 meest subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in zaak A onder 1 meest subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 18 november 2019. HEFT OP het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.A.E. van Noort, mr. R. Kuiper en mr. H. Sytema in tegenwoordigheid van mr. D.A.C. Chaigneau, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 januari 2024. De voorzitter en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.