afdeling strafrecht parketnummer: 23-003410-21 datum uitspraak: 6 november 2024 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 10 december 2021 in de strafzaak onder parketnummer 96-144935-21 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober
- Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij, op of omstreeks 27 mei 2021 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, het Voorlandpad, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 27 mei 2021 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, het Voorlandpad, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet
- Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De kantonrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot hechtenis voor de duur van één week. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. De raadsman heeft verzocht tot een andere straf te komen, door één week voorwaardelijke hechtenis dan wel een taakstraf voor de duur van veertien of achtentwintig uren op te leggen, gelet ook op de ouderdom van het feit en het tijdsverloop van de behandeling van de zaak in hoger beroep. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het besturen van een auto, terwijl hij niet in het bezit was van een rijbewijs. Dit is een overtreding waardoor de verkeersveiligheid ernstig in gevaar wordt gebracht. Het hof rekent dit de verdachte ten zeerste aan, temeer nu hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 oktober 2024 eerder reeds meerdere malen ter zake van het rijden zonder rijbewijs onherroepelijk is veroordeeld en hij het onderhavige feit heeft gepleegd gedurende meerdere proeftijden. Deze veroordelingen hebben kennelijk weinig tot geen indruk op de verdachte gemaakt en hem in ieder geval er niet van weerhouden onderhavig feit te begaan. Gelet hierop kan niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een straf die vrijheidsbeneming meebrengt. Het hof acht een zwaardere straf dan gevorderd door de advocaat-generaal passend, te weten hechtenis voor de duur van tien dagen. Het hof stelt vast dat het recht van de verdachte om binnen een redelijke termijn te worden berecht, als bedoeld in artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), in hoger beroep is geschonden. Als uitgangspunt geldt dat de berechting van de zaak in hoger beroep behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren nadat het rechtsmiddel is ingesteld. Op 22 december 2021 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 6 november 2024 arrest. Hieruit volgt dat in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim tien maanden, zonder dat een deel van het tijdsverloop aan de verdediging is toe te schrijven. Het hof zal daarom te op leggen hechtenis met drie dagen verminderen. Het hof acht, alles afwegende, hechtenis van na te melden duur passend en geboden.. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 107 en 177 van de Wegenverkeerswet
- BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Ten aanzien van het bewezenverklaarde: Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 1 (één) week. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. Mijnsberge, mr. M.L.M. van der Voet en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. S.L.D. Vriend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 november
- Mr. E. Mijnsberge en mr. B.A.A. Postma zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen. ========================================================================= […] […]