← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2024:3758

afdeling strafrecht parketnummer: 23-001369-24 datum uitspraak: 6 november 2024 TEGENSPRAAK (na aanhouding verdachte niet verschenen, niet-gemachtigd raadsvrouw) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 5 juni 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-170699-24 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1992, zonder bekende woon- of verblijfplaats Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 22 mei 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een (Spaans) paspoort (documentnummer [nummer 1] , op naam van [persoon] ), door zich met dit paspoort te legitimeren; 2.hij op of omstreeks 22 mei 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een (Spaanse) identiteitskaart (documentnummer [nummer 2] , op naam van [persoon] ), waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals of vervalst was, heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof (gelet op HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:451) tot een andere bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde komt dan de politierechter. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.hij op 22 mei 2024 te Amsterdam opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een (Spaans) paspoort (documentnummer [nummer 1] , op naam van [persoon] ), door zich met dit paspoort te legitimeren; 2.hij op 22 mei 2024 te Amsterdam een reisdocument, te weten een (Spaanse) identiteitskaart (documentnummer [nummer 2] , op naam van [persoon] ), waarvan hij, verdachte, wist dat deze vals was, voorhanden heeft gehad. Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: opzettelijk gebruik maken van een vals identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: een reisdocument voorhanden hebben, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals is. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte wilde zich bij een gemeente op een adres inschrijven met behulp van een vals paspoort. Vervolgens bleek hij ook in het bezit van een valse Spaanse identiteitskaart. De verdachte heeft hiermee het vertrouwen dat moet kunnen worden gesteld in dergelijke bescheiden geschonden. Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 oktober 2024 is de verdachte niet eerder in Nederland strafrechtelijk veroordeeld. Het hof heeft bij de straftoemeting aansluiting gezocht bij de straf die in soortgelijke gevallen pleegt te worden opgelegd en acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden, die de verdachte reeds in voorarrest heeft ondergaan. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57 en 231 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. E. Mijnsberge en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. S.L.D. Vriend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 november 2024. Mr. E. Mijnsberge en mr. B.A.A. Postma zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen. ========================================================================= […] […]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.