afdeling strafrecht parketnummer: 23-001357-19 datum uitspraak: 5 december 2024 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 maart 2019 in de strafzaak onder de parketnummers 13-684385-18 en 23-000423-18 (TUL), 13-177352-16 (TUL) tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993, adres: [adres 1] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 februari 2023 en 21 november 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat: primairhij op of omstreeks 14 september 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning aan de [adres 2] , heeft weggenomen een kluisje met een nep horloge (merk Rolex) en/of een of meer flesje(
- s)parfum (waaronder een flesje parfum van het merk Guess), althans een of meerdere goed(eren), geheel of ten dele toebehorend aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededaders, waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(
- s)zich de toegang tot die woning(
- en)heeft/hebben verschaft door braak en/of verbreking; subsidiair[medeverdachte] , in elk geval een of meer anderen, op of omstreeks 14 september 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning aan de [adres 2] , heeft weggenomen een kluisje met een nep horloge (merk Rolex) en/of een of meer flesje(
- s)parfum (waaronder een flesje parfum van het merk Guess), althans een of meerdere goed(eren), geheel of ten dele toebehorend aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededaders, waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(
- s)zich de toegang tot die woning(
- en)heeft/hebben verschaft door braak en/of verbreking; bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 14 september 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door op de uitkijk te staan in de omgeving van de plaats van vooromschreven misdrijf en/of auto (Merk: Renault, type: Megane, kenteken [kenteken] ) ter beschikking te stellen en/of door die mededaders met een door verdachte bestuurde auto te vervoeren naar de (onmiddelijke) omgeving van de plaats van vorenomschreven misdrijf. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof heeft beraadslaagd op grondslag van een in hoger beroep gewijzigde tenlastelegging. Vrijspraak primair Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Bewijsoverweging subsidiair Het hof acht anders dan bepleit door de raadsman de verklaring van de getuige [getuige] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. De verklaring is kort na het feit afgelegd en uit het verhoor van de getuige bij de raadsheer-commissaris blijkt dat hij blijft bij zijn waarneming dat een jongen instapte in de auto (van de verdachte). Hetgeen de raadsman overigens heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn standpunt dat de verdachte van het subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: [medeverdachte] , op 14 september 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning aan de [adres 2] , heeft weggenomen een kluisje en een flesje parfum van het merk Guess, toebehorend aan een ander of anderen dan aan hem of zijn mededader, bij en tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 14 september 2018 te Amsterdam, opzettelijk behulpzaam is geweest, door op de uitkijk te staan in de omgeving van de plaats van vooromschreven misdrijf en een auto (Merk: Renault, type: Megane, kenteken [kenteken] ) ter beschikking te stellen. Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het subsidiair bewezenverklaarde levert op: medeplichtigheid aan diefstal door twee of meer verenigde personen. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, met aftrek van voorarrest. De raadsman heeft -indien het hof tot een bewezenverklaring komt- verzocht een taakstraf en in ieder geval geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gelet op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, het tijdsverloop, de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid bij het plegen van een diefstal uit een woning, door met een auto voor de woning op de uitkijk te staan en de vlucht mogelijk te maken. Door zijn handelen heeft de verdachte het plegen van de diefstal gefaciliteerd. Een diefstal uit een woning veroorzaakt niet alleen overlast en materiële schade, maar zorgt ook voor gevoelens van onveiligheid en onbehagen bij de bewoners, terwijl de eigen woning bij uitstek de plek is waar men zich veilig moet kunnen voelen. De verdachte kende de bewoners al jaren en ze kwamen zelfs bij elkaar over de vloer. Hiermee heeft hij het vertrouwen van de bewoners geschaad. Daarnaast dragen dergelijke delicten ook in bredere zin bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving, bijvoorbeeld bij buurtbewoners. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij zich kennelijk slechts heeft laten leiden door zijn eigen financiële gewin en zich niet heeft bekommerd om de gevolgen van zijn handelen voor anderen. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 5 november 2024 is hij eerder meerdere keren ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt. De aard en ernst van het feit -in het licht van de recidive- rechtvaardigen in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging naar voren zijn gebracht en volgen uit de overgelegde stukken en de reclasseringsrapporten van Reclassering Nederland van 26 januari 2023 en 17 oktober 2023. De verdachte heeft zelf via de woningbouwvereniging een eigen woning bemachtigd en werkt als accountmanager buitendienst. Hij is -zo verklaarde hij in hoger beroep- inmiddels met zijn vriendin getrouwd en heeft met haar dit jaar een zoontje gekregen. Hij heeft naar eigen zeggen het verkeerde milieu achter zich gelaten en focust zich op het zorgen voor zijn gezin. Naar het zich laat aanzien heeft het leven van de verdachte een positieve wending genomen. Het hof acht het in het belang van de verdachte én van de samenleving dat deze lijn wordt doorgetrokken. Hernieuwde vrijheidsbeneming zal de positieve ontwikkelingen doorkruisen. Daarom zal het hof aan de verdachte in plaats van een gevangenisstraf een taakstraf opleggen. Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende. De verdachte is op 14 september 2018 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft op 28 maart 2019 vonnis gewezen. Op 5 april 2019 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van 5 december 2024 einduitspraak. Hieruit volgt dat in hoger beroep sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn van berechting (die in de hoger beroep fase twee jaar bedraagt), welke overschrijding niet in overwegende mate te wijten is aan de verdediging. Het hof zal deze overschrijding in het voordeel van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting. Het hof acht in beginsel een taakstraf voor de duur van 200 uren passend. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof de duur van taakstraf matigen tot 180 uren. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.304,39, bestaande uit € 3.004,39 aan materiële schade en € 300,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 177,21 aan materiële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. Ter terechtzitting in hoger beroep van 2 februari 2023 heeft de advocaat van de benadeelde partij de vordering, nu de herstelkosten voor het raam en het kozijn lager bleken te zijn dan de offerte, verlaagd tot een bedrag van € 2.766,55. Deze aangepaste vordering is opgebouwd uit de navolgende posten: - ten aanzien van de materiële schade: o € 36,95 kluis; o € 475,00 nep Rolex; o € 1.648,02 maken raam en kozijn; o € 140,26 noodraam; o € 166,32 gemist loon; - ten aanzien van de immateriële schade: € 300,00. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de aangepaste vordering tot een bedrag van € 503,27, bestaande uit € 203,27 aan materiële schade (kluis en gemist loon) en € 300,00 aan immateriële schade. De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering toe te wijzen tot het door de rechtbank toegewezen bedrag. Materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Het hof acht de schadeposten die zien op de kluis en het gemiste loon voldoende onderbouwd en toewijsbaar. Het gaat dan om een bedrag van € 203,27. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voor het overige onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden. De benadeelde partij kan ten aanzien van de posten die zien op de nep Rolex, het maken van het raam en kozijn en het noodraam niet worden ontvangen in de vordering, nu de verdachte zal worden vrijgesproken van medeplichtigheid op de onderdelen die zien op de diefstal van de nep Rolex en de braak van het raam. Immateriële schade Artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek brengt mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Van lichamelijk letsel of een aantasting in de eer of goede naam is in dit geval geen sprake. Voor de toewijsbaarheid van een vordering gericht op de vergoeding van het ‘op andere wijze in zijn persoon zijn aangetast’ geldt als uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de toelichting van de benadeelde partij op de vordering volgt dat de benadeelde een kort lontje heeft, slecht slaapt, last heeft van het feit dat haar privacy is geschonden en begrijpelijke gevoelens van onveiligheid ervaart. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat zij daadwerkelijk geestelijk letsel heeft opgelopen door het bewezenverklaarde feit en ook niet, dat zij daardoor op andere wijze in haar persoon is aangetast als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek. Gelet hierop kan de benadeelde partij niet in de vordering tot vergoeding van immateriële schade worden ontvangen. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 48, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. Vordering tenuitvoerlegging (23-000432-18) Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 augustus 2018 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Met de advocaat-generaal ziet het hof aanleiding om in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf een taakstraf van hierna te melden duur te gelasten. Vordering tenuitvoerlegging (13-177352-16) Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 9 mei 2017 opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. Met de advocaat-generaal en de raadsman acht het hof termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 203,27 (tweehonderddrie euro en zevenentwintig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(
- s)hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige ter zake van gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk in de vordering. Verklaart de benadeelde partij ter zake van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 203,27 (tweehonderddrie euro en zevenentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(
- s)aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 14 september 2018. Beveelt in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 augustus 2018 met parketnummer 23-000423-18, te weten een gevangenisstraf voor de duur van drie weken, een taakstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 21 (éénentwintig) dagen hechtenis. Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 17 september 2018, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 9 mei 2017, parketnummer 13-177352-16, voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. J.H. van der Werff, in tegenwoordigheid van mr. S.L.D. Vriend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 december 2024. Mr. J.H. van der Werff is buiten staat dit arrest te ondertekenen. ========================================================================= […]