← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2024:3763

afdeling strafrecht parketnummer: 23-000478-19 datum uitspraak: 5 december 2024 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 4 februari 2019 in de strafzaak onder de parketnummers 15-256312-18 en 23-000423-18 (TUL), 13-177352-16 (TUL) tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993, adres: [adres 1] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 februari 2023 en 21 november 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 20 oktober 2018 te Heemstede in of uit restaurant ' [restaurant] ' (gelegen aan de [adres 2] , aldaar) een laptop (merk Apple) en/of een tablet (merk Hannspree), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij] en/of restaurant ' [restaurant] ', heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen laptop en/of tablet onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Bewijsoverweging De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van de tenlastegelegde voltooide inbraak, nu op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat daadwerkelijk goederen zijn weggenomen. Het hof overweegt als volgt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat aangever [benadeelde partij] de achterdeur van zijn restaurant [restaurant] op 20 oktober 2018 om 1:30 uur heeft afgesloten met een cilinderslot en het restaurant in goede orde heeft achtergelaten. Uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot camerabeelden van het restaurant blijkt dat diezelfde nacht om 3:15 uur een persoon het slot van de achterdeur forceerde, het restaurant naar binnenging en dat kort daarna het alarm afging. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op 20 oktober 2018 binnen is geweest in bovengenoemd restaurant en dat hij schrok toen het alarm afging. Op de beelden is te zien dat de persoon vervolgens rennend naar buiten ging. Uit de aanvullende verklaring van de aangever van 12 december 2018 volgt dat hij een tablet mist. Dat deze verklaring twee maanden na de inbraak en de aangifte is afgelegd doet geen afbreuk aan die verklaring, mede gelet op het feit dat de aangever bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat de politie had gezegd dat hij even mocht kijken welke goederen er weg waren en dat hij dit dan later kon melden. Anders dan gesteld door de raadsman is het hof van oordeel dat de camerabeelden niet uitsluiten dat de verdachte de tablet heeft weggenomen. Het hof acht de tenlastegelegde bedrijfsinbraak aldus wettig en overtuigend bewezen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 20 oktober 2018 te Heemstede uit restaurant ' [restaurant] ' gelegen aan de [adres 2] , een tablet (merk Hannspree), die toebehoorde aan [benadeelde partij] en/of restaurant ' [restaurant] ', heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 76 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en daarnaast een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 75 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren. De raadsman heeft -indien het hof tot een bewezenverklaring komt- aangevoerd dat hij zich kan vinden in de vordering van de advocaat-generaal en dat voornamelijk van belang is dat de verdachte niet opnieuw gedetineerd raakt. De raadsman heeft verzocht bij de straftoemeting rekening te houden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, het tijdsverloop sinds het feit, de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich in de nacht schuldig gemaakt aan een bedrijfsinbraak waarbij een tablet is weggenomen. Om het restaurant binnen te komen heeft de verdachte schade toegebracht door het slot van de achterdeur te forceren. Bedrijfsinbraken veroorzaken voor de betrokken ondernemers veel schade, overlast en frustratie. In plaats van zich daar om te bekommeren heeft de verdachte kennelijk zijn eigen financiële gewin vooropgesteld en heeft hij ervan blijk gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van een ander. Tevens worden hiermee gevoelens van onveiligheid veroorzaakt, niet alleen bij de betrokkenen, maar in de gehele samenleving. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 5 november 2024 is hij eerder meerdere malen ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt. De aard en ernst van het feit in het licht van de recidive en mede gelet op de straffen die door rechters in soortgelijke gevallen worden opgelegd, rechtvaardigen in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur. Het hof houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging naar voren zijn gebracht en volgen uit de overgelegde stukken en de reclasseringsrapporten van Reclassering Nederland van 26 januari 2023 en 17 oktober

  1. De verdachte heeft zelf via de woningbouwvereniging een eigen woning bemachtigd en werkt als accountmanager buitendienst. Hij is -zo verklaarde hij in hoger beroep- inmiddels met zijn vriendin getrouwd en heeft met haar dit jaar een zoontje gekregen. Hij heeft naar eigen zeggen het verkeerde milieu achter zich gelaten en focust zich op het zorgen voor zijn gezin. Naar het zich laat aanzien heeft het leven van de verdachte een positieve wending genomen. Het hof acht het in het belang van de verdachte én van de samenleving dat deze lijn wordt doorgetrokken. Het hof zal de gevangenisstraf voor een groot deel in voorwaardelijke vorm opleggen, zodat de positieve ontwikkeling van de verdachte niet (direct) door hernieuwde detentie wordt doorkruist. Het hof heeft bij die strafoplegging tevens rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting, zoals hieronder toegelicht. Met de grotendeels voorwaardelijke straf wordt ook beoogd de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende. De verdachte is op 14 december 2018 in verzekering gesteld. De politierechter heeft op 4 februari 2019 vonnis gewezen. Op 7 februari 2019 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van 5 december 2024 einduitspraak. Hieruit volgt dat in hoger beroep sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn van berechting (die in de hoger beroep fase twee jaar bedraagt), welke overschrijding niet in overwegende mate te wijten is aan de verdediging. Het hof zal deze overschrijding in het voordeel van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting. Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk passend. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof de duur van de (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf matigen tot 90 dagen waarvan 75 dagen voorwaardelijk. Het onvoorwaardelijk deel overstijgt de duur van het voorarrest niet, waardoor de verdachte nu niet direct opnieuw gedetineerd raakt. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.100,00, bestaande uit € 1.600,00 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 850,00 aan materiële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft -overeenkomstige de beslissing van de politierechter- geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 850,00 aan materiële schade. De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de benadeelde eveneens niet in de vordering kan worden ontvangen, nu de vordering ondertekend is door een ander dan de benadeelde partij, althans niet duidelijk is of dit de aangever of de benadeelde partij is. Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de schade met betrekking tot de tablet onvoldoende is onderbouwd, dat de immateriële schade niet voor vergoeding in aanmerking komt en dat de door de politierechter toegewezen kosten eveneens onvoldoende zijn onderbouwd. De reparatiekosten dienen in ieder geval sterk gematigd te worden, nu uit het dossier niet blijkt dat er braakschade is geweest, los van het ontbreken van het cilinderslot, aldus de raadsman. Materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Anders dan de raadsman twijfelt het hof er niet aan dat [benadeelde partij] het verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend, nu de vordering is ondertekend met een handtekening die sterke gelijkenis vertoont met de handtekening onder de aangifte van [benadeelde partij] . Uit zijn aangifte leidt het hof af dat hij de eigenaar van het restaurant is en om die reden gerechtigd is tot het indienen van de vordering. Het hof waardeert de materiële schade op € 350,00, bestaande uit: € 50,00 slot deur; € 300,00 deur. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voor het overige onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden. De benadeelde partij kan ten aanzien van de post die ziet op de laptop niet worden ontvangen in de vordering, nu de verdachte zal worden vrijgesproken op het onderdeel dat ziet op de diefstal van de laptop. Ten aanzien van de kosten die zien op de tablet is de gestelde schade naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. De behandeling van de vordering op dit punt levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Immateriële schade Artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek brengt mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Van lichamelijk letsel of een aantasting in de eer of goede naam is in dit geval geen sprake. Voor de toewijsbaarheid van een vordering gericht op de vergoeding van het ‘op andere wijze in zijn persoon zijn aangetast’ geldt als uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de toelichting van de benadeelde partij op de vordering volgt dat de benadeelde angstig is, acht weken niet heeft kunnen slapen, nachtmerries heeft en begrijpelijke gevoelens van onveiligheid ervaart. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat de benadeelde daadwerkelijk geestelijk letsel heeft opgelopen door het bewezenverklaarde feit en ook niet, dat hij daardoor op andere wijze in zijn persoon is aangetast als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek. Gelet hierop kan de benadeelde partij niet in de vordering tot vergoeding van immateriële schade worden ontvangen. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. Vordering tenuitvoerlegging (13-177352-16) Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 9 mei 2017 opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Vordering tenuitvoerlegging (23-000423-18) Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 augustus 2018 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken. De oproeping ter zake van de vordering tot tenuitvoerlegging is in eerste aanleg nietig verklaard. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging niet meer aan de orde is in hoger beroep, nu de oproeping in eerste aanleg nietig is verklaard. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 (negentig) dagen. Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 75 (vijfenzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige ter zake van gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Verklaart de benadeelde partij ter zake van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 20 oktober
  2. Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 9 mei 2017, parketnummer 13-177352-16, te weten van: taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis. Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. J.H. van der Werff, in tegenwoordigheid van mr. S.L.D. Vriend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 december
  3. Mr. J.H. van der Werff is buiten staat dit arrest te ondertekenen. ========================================================================= […]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.