afdeling strafrecht parketnummer: 23-000969-20 datum uitspraak: 5 december 2024 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2020 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-201881-19 (zaak A) en 13-170749-19 (zaak B), alsmede 23-000423-18 (TUL) tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993, adres: [adres 1] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 februari 2023 en 21 november 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Omvang van het hoger beroep Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Blijkens de akte instellen hoger beroep van 31 maart 2020 is het hoger beroep alleen gericht tegen zaak A feiten 1, 2 en 6 en zaak B, en niet gericht tegen zaak A feiten 3, 4 en 5. Dat betekent dat laatstgenoemde feiten niet in hoger beroep voorliggen en het hof geen oordeel toekomt met betrekking tot de beslissingen ten aanzien van die feiten. Tenlasteleggingen Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging en voor zover in hoger beroep nog inhoudelijk aan de orde, is aan de verdachte tenlastegelegd dat: Zaak A: 1.hij op of omstreeks 11 juli 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(
- s)voorgenomen misdrijf om in/uit een (bedrijfs)pand (gelegen aan de [adres 2] ) een of meerdere goed(eren) van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
- s)toebehoorde, te weten aan [bedrijf 1] B.V., weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, naar voornoemd (bedrijfs)pand is toegegaan, waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)eenmaal of meermalen een plaat van een (toegangs)luik van voornoemd (bedrijfs)pand heeft/hebben verwijderd en/of geforceerd en/of op/tegen een luik en/of toegangsdeur aan/bij/van voornoemd (bedrijfs)pand heeft/hebben gestampt en/of geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2.hij op of omstreeks 20 juni 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(
- s)voorgenomen misdrijf om in/uit een (bedrijfs)pand (gelegen aan de [adres 3] ) een of meer goed(eren) van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
- s)toebehoorde, te weten aan [bedrijf 2] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of valse sleutels, naar voornoemd (bedrijfs)pand is toegegaan, waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)(met behulp van een code) een (smartlock)kastje heeft/hebben geopend en/of (vervolgens) een of meerdere sleutel(
- s)uit het (smartlock)kastje heeft/hebben gepakt en/of (vervolgens) met voornoemde (valse) sleutel(s), in elk geval (een) sleutel(
- s)tot het gebruik, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)niet is/was/zijn/waren gerechtigd, een of meerdere (toegangs)deur(
- en)en/of rolluiken van/aan voornoemd (bedrijfs)pand heeft/hebben geopend en/of (vervolgens) in voornoemd (bedrijfs)pand een alarmkastje heeft/hebben losgetrokken en/of geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 6.primairhij op of omstreeks 17 augustus 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een wond van 1,5 cm welke gehecht moest worden en/of een gebroken vinger, heeft toegebracht, door - met een kapot (bier)fles eenmaal of meermalen te slaan en/of te steken in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of de handen en/of de armen, althans tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of - eenmaal of meermalen (met kracht) te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of te trappen op/tegen het hoofd en/of tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] ; 6. subsidiairhij op of omstreeks 17 augustus 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - met een kapot (bier)fles eenmaal of meermalen heeft geslagen en/of gestoken in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of de handen en/of de armen, althans tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of - eenmaal of meermalen (met kracht) heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt op/tegen het hoofd en/of tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Zaak B:hij op of omstreeks 1 juli 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een restaurant (gelegen aan de [adres 4] , perceelnummer [nummer]) heeft weggenomen (in/uit een kassalade) 1300,- Euro,-, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan restaurant [restaurant] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(
- s)zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door één of meer ra(a)m(en)/ruit(
- en)van dat restaurant te verbreken en/of te forceren en/of dat restaurant in te klimmen, althans door middel van braak op en/verbreking en/of inklimming van dat restaurant. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Vrijspraak zaak A feit 1 Uit het dossier volgt dat op de uitgekeken camerabeelden is te zien dat NN1 en NN2 een luik probeerden open te krijgen dat de toegang verschaft tot het desbetreffende café, dat de verdachte op een paar meter afstand daarvan stond en om zich heen bleef kijken, dat zij alle drie wegliepen van het café en na een paar seconden weer terugliepen. Uit het handelen van de verdachte kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat hij als (mede)pleger betrokken is geweest bij de poging tot diefstal. De verdachte heeft geen zogenoemde ‘uitvoeringshandelingen’ verricht en de voor de medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is niet komen vast te staan. Naar het oordeel van het hof is aldus niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in zaak A onder 1 is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Vrijspraak zaak A feit 6 primair Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte in zaak A onder 6 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Bewijsoverweging zaak A feit 6 subsidiair De raadsman heeft vrijspraak van het in zaak A onder 6 subsidiair tenlastegelegde bepleit, omdat uit de inhoud van het dossier geen wettig en overtuigend bewijs volgt dat de verdachte de verweten handeling heeft verricht. Het hof verwerpt het verweer en overweegt als volgt. Betrokkenheid verdachte De verdachte heeft verklaard dat hij op de desbetreffende avond in de avondwinkel is geweest en dat hij op camerabeelden te zien is. Tevens heeft hij in dat verband verklaard over twee mannen en dat de sfeer grimmig werd. Dit komt overeen met de verklaring van aangevers [slachtoffer 1] en [persoon] . Volgens de aangevers is het diezelfde man, de verdachte dus, die vervolgens buiten een bierflesje kapot heeft geslagen en [slachtoffer 1] daarmee meermalen heeft geslagen. Het hof ziet geen aanleiding om ten aanzien van dit deel van de verklaring van de aangevers te twijfelen aan de inhoud hiervan. Daarnaast is de verdachte later die nacht aangetroffen in het voertuig waarin de dader samen met anderen na de vechtpartij is weggereden, hetgeen is waargenomen door een medewerker van de avondwinkel die het kenteken van dat voertuig heeft genoteerd. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte degene is geweest die aangever [slachtoffer 1] heeft geslagen. Poging zware mishandeling Artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt wanneer sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Hiervan is -kort gezegd- sprake als het letsel levensbedreigend is, er sprake is van een zeer langdurige herstelperiode of geen volledige genezing wordt verwacht. Bij het vaststellen van zwaar lichamelijk letsel moet worden gekeken naar de ernst van het letsel, in hoeverre medisch ingrijpen nodig is geweest en of er uitzicht is op volledig herstel. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Het hof is van oordeel dat de verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij tien tot vijftien keer tegen zijn lichaam is geslagen en dat hij met zijn armen zijn gezicht heeft beschermd. Gelet hierop en op de foto’s van het letsel waarop een forse snijwond aan de hand van het slachtoffer zichtbaar is, kan worden vastgesteld dat de verdachte meerdere malen met een kapot bierflesje in de richting van het hoofd en in ieder geval tegen het lichaam van de verdachte heeft geslagen. Dit handelen had eenvoudig kunnen leiden tot letsel waarbij medisch ingrijpen en/of langdurig herstel nodig was geweest. De kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is bij meermalen slaan met een scherp voorwerp in de richting van het gezicht, naar de ervaring leert, aanmerkelijk. Door aldus te handelen heeft de verdachte op zijn minst genomen deze aanmerkelijke kans willens en wetens aanvaard. Aldus is sprake van opzet, tenminste in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de in zaak A onder 6 subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. De verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen nu van een nauwe en bewuste samenwerking onvoldoende is gebleken. Bewijsoverweging zaak B De raadsman heeft vrijspraak van het in zaak B tenlastegelegde bepleit, nu niet is gebleken van een wezenlijke bijdrage van de verdachte, of van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten. Het hof overweegt als volgt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat op de uitgekeken camerabeelden van de inbraak te zien is dat drie mannen op 1 juli 2019 om 3:48 uur ’s nachts naar het restaurant liepen. NN3 – die door de verbalisanten als de verdachte is herkend en waarvan de verdachte heeft verklaard dat die herkenningen kloppen – heeft aan een raam van het restaurant gevoeld en heeft geprobeerd om met zijn linkerhand een raam te openen. Het hof leidt uit die gang van zaken af dat de verdachte en de medeverdachten het gezamenlijke plan hadden opgevat om de inbraak te plegen. Door het handelen van de verdachte heeft hij een bijdrage van voldoende gewicht aan dit delict geleverd. Dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte zelf het restaurant heeft betreden en/of de medeverdachten het restaurant zijn binnengegaan door het raam dat de verdachte probeerde te openen doet daaraan niet af, nu de handelingen van de verdachte dienstig konden zijn aan het misdadige doel dat de verdachte en de medeverdachten voor ogen hadden. De feiten en omstandigheden maken dat naar de uiterlijke verschijningsvorm sprake was een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten, dat dit als ‘medeplegen’ dient te worden gekwalificeerd. Het hof acht aldus het in zaak B tenlastegelegde medeplegen van de inbraak wettig en overtuigend bewezen. Derhalve wordt het verweer van de raadsman verworpen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 2 en 6 subsidiair en in zaak B tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Zaak A: 2.hij op 20 juni 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om uit een bedrijfspand gelegen aan de [adres 3] een of meer goederen van hun gading, die toebehoorden aan [bedrijf 2] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van valse sleutels, naar voornoemd bedrijfspand is toegegaan, waarna verdachte en zijn mededaders een smartlockkastje hebben geopend en sleutels uit het smartlockkastje hebben gepakt en met voornoemde sleutels, in elk geval sleutels tot het gebruik waarvan verdachte en zijn mededaders niet zijn gerechtigd, een of meerdere toegangsdeuren en/of rolluiken van voornoemd bedrijfspand hebben geopend en in voornoemd bedrijfspand een alarmkastje hebben losgetrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 6. subsidiairhij op 17 augustus 2019 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een kapotte bierfles heeft geslagen tegen het lichaam van [slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Zaak B:hij op 1 juli 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een restaurant gelegen aan de [adres 4] heeft weggenomen 1300 euro, toebehorende aan restaurant [restaurant] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door één of meer ramen van dat restaurant te forceren, althans door middel van braak. Hetgeen in zaak A onder 2 en 6 subsidiair en in zaak B meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 2 en 6 subsidiair en in zaak B bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het in zaak A onder 2 bewezenverklaarde levert op: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels. Het in zaak A onder 6 subsidiair bewezenverklaarde levert op: poging tot zware mishandeling. Het in zaak B bewezenverklaarde levert op: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A onder 2 en 6 subsidiair en in zaak B bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 1, 2 en 6 subsidiair en in zaak B bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf
(11)maanden, met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 1, 2 en 6 subsidiair en in zaak B tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien
(10)maanden, met aftrek van voorarrest. De raadsman heeft -indien het hof tot een bewezenverklaring komt- verzocht om in ieder geval geen gevangenisstraf op te leggen die de duur van het voorarrest overstijgt. De raadsman heeft verzocht bij de straftoemeting rekening te houden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, het tijdsverloop, de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan één bedrijfsinbraak, waarbij een geldbedrag van € 1.300,00 is gestolen, en één poging daartoe. Dit zijn ergerlijke feiten die tot overlast en financiële schade leiden en die voor gevoelens van onveiligheid in de samenleving zorgen. Met zijn handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans goederen en zich enkel laten leiden door zijn eigen financieel gewin. Het hof rekent dit de verdachte aan. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door met een kapotte bierfles te slaan tegen het lichaam van het slachtoffer. Met zijn handelswijze heeft de verdachte niet alleen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, ook kunnen dergelijke geweldshandelingen gevoelens van angst en onveiligheid bij de omstanders oproepen. Het hof heeft bij het bepalen van de straf aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) met betrekking tot bedrijfsinbraken en zware mishandeling. Als strafverzwarende omstandigheden weegt het hof mee dat sprake is van medeplegen en dat bij het geweldsmisdrijf fors geweld is gebruikt. Ook weegt in het nadeel van de verdachte dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 5 november 2024 eerder meerdere keren ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk is veroordeeld en dat hij de onderhavige feiten heeft gepleegd gedurende een proeftijd. Deze veroordelingen hebben kennelijk weinig tot geen indruk op de verdachte gemaakt en hem in ieder geval er niet van weerhouden onderhavige feiten te begaan. Als strafverminderende omstandigheid weegt het hof mee dat ten aanzien van het in zaak A onder 2 bewezenverklaarde sprake is van een poging. Gelet op de aard en ernst van de feiten in het licht van de recidive en gelet op de straffen die door rechters in soortgelijke zaken worden opgelegd kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur. Het hof houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging naar voren zijn gebracht en volgen uit de overgelegde stukken en de reclasseringsrapporten van Reclassering Nederland van 26 januari 2023 en 17 oktober
- De verdachte heeft zelf via de woningbouwvereniging een eigen woning bemachtigd en werkt als accountmanager buitendienst. Hij is -zo verklaarde hij in hoger beroep- inmiddels met zijn vriendin getrouwd en heeft met haar dit jaar een zoontje gekregen. Hij heeft naar eigen zeggen het verkeerde milieu achter zich gelaten en focust zich op het zorgen voor zijn gezin. Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende. De verdachte is op 16 juli 2019 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft op 17 maart 2020 vonnis gewezen. Op 31 maart 2020 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van 5 december 2024 einduitspraak. Hieruit volgt dat in hoger beroep sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn van berechting (die in de hoger beroep fase twee jaar bedraagt), welke overschrijding niet in overwegende mate te wijten is aan de verdediging. Het hof zal deze overschrijding in het voordeel van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting. Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden passend. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof de duur de van de gevangenisstraf matigen tot negen maanden. Deze gevangenisstraf valt lager uit dan door de advocaat-generaal is gevorderd, nu het hof minder feiten bewezen acht dan de advocaat-generaal. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 57, 63, 302 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. Vordering tenuitvoerlegging (23-000423-18) Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 augustus 2018 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. Met de advocaat-generaal en de raadsman acht het hof termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht. Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 6 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 2 en 6 subsidiair en in zaak B tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het in zaak A onder 2 en 6 subsidiair en in zaak B bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 31 januari 2020, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 augustus 2018, parketnummer 23-000423-18, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van drie weken. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. J.H. van der Werff, in tegenwoordigheid van mr. S.L.D. Vriend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 december
- Mr. J.H. van der Werff is buiten staat dit arrest te ondertekenen. ========================================================================= […]