afdeling strafrecht parketnummer: 23-001222-23 (ontneming) datum uitspraak: 20 december 2024 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 oktober 2018 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-997056-16 tegen de betrokkene [betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975, thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] . Procesgang De strafzaak De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 juni 2021 veroordeeld ter zake van – samengevat en voor zover voor de beoordeling van de ontnemingszaak van belang – het meermalen opzettelijk vervoeren van een hoeveelheid cocaïne. Dit arrest is, nadat de Hoge Raad der Nederlanden (hierna: de Hoge Raad) dit arrest heeft vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, en het beroep voor het overige heeft verworpen, op 18 april 2023 onherroepelijk geworden. De ontnemingszaak Het Openbaar Ministerie heeft ter terechtzitting in eerste aanleg de oorspronkelijke vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel verminderd en gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van € 24.000,00 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 19 oktober 2018 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 40.000,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Tegen dit vonnis is door of namens de betrokkene hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof heeft bij arrest van 25 juni 2021 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 30.000,00 en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dit bedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene heeft tegen dit arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld. Op 18 april 2023 heeft de Hoge Raad de bestreden uitspraak in de ontnemingszaak vernietigd, omdat het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend had gemotiveerd, en de zaak teruggewezen naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 november
- Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank. Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 15.000,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Standpunt verdediging De raadsman heeft primair bepleit dat de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel integraal moet worden afgewezen omdat de betrokkene in de strafzaak voor het verkopen van cocaïne is vrijgesproken en het bewezenverklaarde (het enkele vervoeren van cocaïne) geen financieel voordeel oplevert. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een onjuiste wijze is berekend en dat het behaalde wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op € 1.000,00 per kilo, nu blijkens het OVC-gesprek van 18 januari 2016 wordt gezegd: ‘Ik pak een…rooitje winst’. Dit komt neer op een wederrechtelijk verkregen voordeel van hoogstens € 6.000,
- Oordeel van het hof Relevante overweging en bewezenverklaring in de strafzaak In de strafzaak heeft het hof, voor zover van belang, overwogen: Gelet op het voorgaande kan worden bewezen dat [betrokkene] in de periode van 22 december 2015 tot en met 29 maart 2016 in totaal (minimaal) vier kilo cocaïne van [persoon 1] en [persoon 2] heeft afgenomen en vervoerd. Nu in de tenlastelegging is opgenomen dat [betrokkene] meermalen een hoeveelheid van (ongeveer) vier kilo – en dus niet meermalen een hoeveelheid van ‘in totaal’ (ongeveer) vier kilo – heeft vervoerd, zal het hof bewezen verklaren dat [betrokkene] meermalen ‘een hoeveelheid’ heeft vervoerd. Onder feit 1 is bewezenverklaard: ‘hij in de periode van 21 december 2015 tot en met 29 maart 2016 in Nederland meermalen opzettelijk een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne heeft vervoerd.’ Geen wederrechtelijke verkregen voordeel voor verkoop van cocaïne Het hof heeft de betrokkene in de strafzaak vrijgesproken van de verkoop van ‘een hoeveelheid (..) cocaïne’. Uit de daaraan voorafgaande overweging in de strafzaak, volgt dat hiermee is gedoeld op ‘in totaal (minimaal) vier kilogram cocaïne’. Uit notities die zijn aangetroffen op een telefoon van [persoon 2] volgt dat er aanwijzingen zijn dat de betrokkene de beschikking heeft gehad over in totaal zes kilogram cocaïne. De toevoeging van (minimaal) in de overweging van het hof in de strafzaak houdt de mogelijkheid open dat met de verkoop van meer dan vier kilogram in de ten laste gelegde periode rekening is gehouden bij de bewezenverklaring van meermalen ‘een hoeveelheid (..) cocaïne’. Deze uitleg van de bewezenverklaring brengt mee dat voor verkoop van zes kilogram cocaïne geen wederrechtelijke verkregen voordeel aan de betrokkene kan worden toegerekend. Voor verkoop van cocaïne buiten de ten laste gelegde periode bevat het dossier onvoldoende aanwijzingen. Geen wederrechtelijk verkregen voordeel voor vervoer van cocaïne In het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict (map VD008, pag 122) is uitgegaan van de opbrengst in geval van verkoop van cocaïne. Voor de mogelijkheid dat de betrokkene zou worden veroordeeld voor het vervoer hiervan is geen berekening van wederrechtelijk voordeel opgenomen. Het hof ziet in het dossier en/of in verklaringen van de betrokkene of medebetrokkenen geen aanknopingspunten voor de omvang van wederrechtelijk voordeel dat aan het vervoer door de betrokkene kan worden toegekend. Bij gebreke hiervan kan het hof geen wederrechtelijk verkregen voordeel vaststellen. Het hof zal, gelet op het voorgaande, de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel afwijzen. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. A.P.M. van Rijn en mr. M. Koek, in tegenwoordigheid van mr. M. Boelens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 december
- Mr. H.A. Stalenhoef is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.