← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2024:3769

afdeling strafrecht parketnummer: 23-001225-23 datum uitspraak: 22 november 2024 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen - na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 18 april 2023 - op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 oktober 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-997058-16 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989, zonder vaste woon- of verblijfplaats. Procesgang De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest. De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 25 juni 2021 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan en de verdachte voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden en 3 weken, met aftrek van voorarrest. De verdachte heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 18 april 2023 het arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep en, na verwijzing, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 november 2024. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Oplegging van straf De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest. De raadsman heeft bepleit dat aan de verdachte, gelet op zijn kortdurende en geringe betrokkenheid bij de voorbereidingshandelingen bij de strafbare feiten, de ouderdom van de zaak en het zwaarwegende belang van zijn kinderen, zijn bedrijven en de door hem verleende mantelzorg, een geldboete zal worden opgelegd, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft opzettelijk ongeveer één kilogram van een materiaal bevattende cocaïne vervoerd. Ook heeft de verdachte zich op verschillende dagen bezig gehouden met de voorbereiding van cocaïnehandel. Door zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan de instandhouding van de markt in verdovende middelen. Cocaïne is een stof waarvan niet alleen het gebruik schadelijk is voor de volksgezondheid, maar de handel daarin is ook direct en indirect oorzaak van vele vormen van criminaliteit. Gelet op de ernst van de feiten is geen andere strafsoort en -modaliteit passend te achten dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De door de raadsman aangevoerde (persoonlijke) omstandigheden leiden niet tot een ander oordeel. Het hof heeft bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straf gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, zoals ook als uitgangspunt genoemd in de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht ter zake van het vervoeren van harddrugs. De verdachte heeft zich daarnaast ook met de voorbereiding van cocaïnehandel bezig gehouden. Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 oktober 2024, waaruit volgt dat hij eerder door de strafrechter is veroordeeld maar niet voor soortgelijke feiten en dat hij, na de bewezenverklaarde feiten, opnieuw is veroordeeld. Het hof zal daarom rekening houden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden in beginsel passend en geboden is. Er is sprake van een schending van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De verdachte is op 27 juni 2016 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft op 19 oktober 2018 vonnis gewezen. De redelijke termijn is in eerste aanleg derhalve met bijna 4 maanden overschreden. Op 1 november 2018 is hoger beroep ingesteld, waarna het hof op 25 juni 2021 arrest heeft gewezen. Daardoor is de redelijke termijn in hoger beroep met bijna 8 maanden overschreden. Op 28 juni 2021 is beroep in cassatie ingesteld, en de stukken van het dossier zijn door de Hoge Raad op 3 mei 2023 ontvangen, zodat de inzendtermijn met meer dan twee maanden is overschreden, waarna de Hoge Raad op 18 april 2023 arrest heeft gewezen. Na de terugwijzing doet het hof op 22 november 2024 uitspraak. Gelet op de overschrijdingen van de redelijke termijn zal het hof deze verdisconteren in de strafoplegging en de beoogde gevangenisstraf van 8 maanden verminderen tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. A.P.M. van Rijn en mr. M. Koek, in tegenwoordigheid van mr. M. Boelens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 november 2024.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.