GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.316.449/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : 9507511 CV EXPL 21-15197 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 februari 2024 inzake [appellant] , wonend te [woonplaats] , appellant, advocaat: mr. F.R.G. Keijzer te Amsterdam, tegen STICHTING ROCHDALE, gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. R.N.E. Visser te Amsterdam. Partijen worden hierna [appellant] en Rochdale genoemd. 1De zaak in het kort [appellant] wil de huurovereenkomst van zijn overleden vader met Rochdale voortzetten. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen. Het hof moet de vraag beantwoorden of [appellant] met zijn vader een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 7:268 lid 2 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). 2Het geding in hoger beroep [appellant] is bij dagvaarding van 16 september 2022 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, (hierna: de kantonrechter), van 20 juni 2022, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie en Rochdale als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie. De appeldagvaarding bevat de grieven. Op de eerst dienende dag heeft [appellant] geconcludeerd overeenkomstig die dagvaarding. Daarna heeft Rochdale een memorie van antwoord ingediend. Partijen hebben de zaak ter zitting van 23 november 2023 doen bepleiten, [appellant] door mr. Keijzer voornoemd en Rochdale door mr. Visser voornoemd. Mr. Keijzer heeft zich bediend van pleitnotities die zijn overgelegd. [appellant] heeft nog producties in het geding gebracht. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad - zijn vorderingen zal toewijzen en Rochdale zal veroordelen tot terugbetaling van alles wat [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis heeft betaald, met veroordeling van Rochdale in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente. Rochdale heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] – uitvoerbaar bij voorraad – in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten. Rochdale heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden. 3Feiten De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.4 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende. 3.1. [appellant] is geboren op [geboortedatum] . Hij is de zoon van [naam] (hierna: “de vader” of “zijn vader”). 3.2. Tussen Rochdale en de vader heeft sinds januari 2003 een huurovereenkomst bestaan met betrekking tot de woning aan de [straatnaam] 69 HS in [plaats 1] (hierna: de woning). 3.3. [appellant] is in 2018 voor het eerst in de woning gaan wonen. Vanaf juni 2018 staat hij op het adres van de woning ingeschreven. Vanaf juni 2018 heeft zowel [appellant] als zijn vader hoofdverblijf in de woning gehad. De vader is op 19 april 2021 overleden. 3.4. [appellant] heeft Rochdale verzocht de huurovereenkomst na het overlijden van zijn vader te mogen voortzetten. Rochdale heeft dat verzoek afgewezen. 4Beoordeling De procedure bij de kantonrechter 4.1. [appellant] heeft (in de procedure in conventie) op de voet van artikel 7:268 BW gevorderd Rochdale te veroordelen tot voortzetting van de huurovereenkomst met hem, met veroordeling van Rochdale in de proceskosten. [appellant] heeft daaraan ten grondslag gelegd dat hij sinds juni 2018 met zijn vader een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde. 4.2. Rochdale heeft verweer gevoerd en bij wijze van tegenvordering (de procedure in reconventie) – uitvoerbaar bij voorraad – ontruiming van de woning gevorderd, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. 4.3. De kantonrechter heeft de vordering in conventie afgewezen en de vordering in reconventie toegewezen, maar de ontruimingstermijn op veertien dagen bepaald in plaats van de gevorderde vijf dagen. De kantonrechter heeft de gevorderde uitvoerbaarbijvoorraadverklaring van de ontruiming op grond van het bepaalde in artikel 7:268 lid 2, laatste zin, BW afgewezen. De kantonrechter, heeft ter zake de toewijzing van de ontruiming, samengevat, het volgende overwogen. [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat hij een gemeenschappelijke huishouding met zijn vader heeft gevoerd. Hij heeft geen stukken overgelegd waaruit volgt dat hij en zijn vader de kosten van het huishouden deelden. Uit de overgelegde verklaringen komt het beeld naar voren dat [appellant] bij zijn vader is ingetrokken om mantelzorg te verlenen. Daaruit volgt nog niet zonder meer een gemeenschappelijke huishouding. Evenmin blijkt van een duurzame, op voortzetting gerichte samenlevingssituatie. Aangezien de vordering tot voortzetting van de huur wordt afgewezen, is de tegenvordering van Rochdale toewijsbaar, aldus de kantonrechter. De procedure in hoger beroep 4.4. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met vier grieven op. 4.5. Het hof ziet aanleiding de grieven 1 tot en met 4 gezamenlijk te behandelen omdat zij in de kern alle zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] en zijn vader geen duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd. Samengevat betoogt [appellant] dat door hem de boodschappen en huishoudelijke spullen werden gekocht ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding. Het voert volgens [appellant] te ver om met betrekking tot de afschrijvingen van Amazon, Netflix, Thuisbezorgd, Blokker en Albert Heijn te moeten aantonen dat die voor gemeenschappelijk gebruik zijn geweest. Daarnaast bestond de bijdrage van [appellant] volgens hem uit de verzorging van zijn vader. Verder stelt [appellant] dat de gemeenschappelijkheid van het huishouden blijkt uit het feit dat hij samen met zijn vader kookte, maaltijden nuttigde, boodschappen deed, televisie keek, naar de moskee ging en vrienden en familie bezocht. Ook leent de indeling van de woning zich volgens [appellant] niet voor het voeren van een gescheiden huishouding. De vader van [appellant] had al geruime tijd gezondheidsklachten. [appellant] is bij zijn vader gaan wonen om hem de vereiste zorg te verlenen en opdat hij en zijn vader elkaar gezelschap konden houden. Dit allemaal met de bedoeling de samenwoning duurzaam voort te zetten. De aard van de ziekte van de vader bracht niet mee dat hij binnen afzienbare tijd zou overlijden. Zijn overlijden kwam geheel onverwacht, aldus [appellant] . 4.6. Artikel 7:268 lid 2 BW bepaalt dat degene die in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad, de huur gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder voortzet en ook nadien, indien de rechter dat op zijn vordering beslist. In lid 3 van genoemd artikel is bepaald dat de rechter de vordering tot voortzetting in ieder geval afwijst indien de eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan de eisen van lid 2 voldoet of vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur of indien het woonruimte betreft waarop hoofdstuk 2 van de Huisvestingswet 2014 van toepassing is, indien de eiser niet een huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 8 van die wet overlegt. 4.7. Voor de beantwoording van de vraag of een duurzame gemeenschappelijke huishouding bestaat, zijn volgens vaste jurisprudentie zowel objectieve als subjectieve factoren, zoals de bedoeling van de betrokkenen, van belang. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een samenleven van een kind en een ouder na het zelfstandig worden van het kind worden aangemerkt als een blijvende samenwoning met een gemeenschappelijke huishouding, ook indien het gaat om een volwassen kind dat, na te zijn uitgevlogen, terugkeert naar de ouderlijke woning. Daarbij kan mede betekenis toekomen aan het ontbreken van wederkerigheid in de relatie tussen ouder en kind. Bij de beantwoording van de vraag of de overleden ouder en het kind een gemeenschappelijke huishouding voerden, moeten verder alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd zoals het feitelijk gebruik van het gehuurde door de ouder/huurder en het kind/medebewoner, alsmede de omstandigheid dat zij al dan niet (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.