GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 22/2378 22 februari 2024 uitspraak van de dertiende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , wonende te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. A. Bakker) tegen de uitspraak van 9 september 2022 in de zaak met kenmerk AMS 21/5963 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente [Z] , de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) genomen beschikking van 28 februari 2021 de waarde van de onroerende zaak [A-straat] te [Z] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op € 251.000. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. De heffingsambtenaar heeft bij brief van 2 november 2021 het bezwaar gegrond verklaard en de waarde verminderd naar € 223.000. 1.3. Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 9 september 2022 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2024. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2Feiten 2.1. Belanghebbende is eigenaar van de woning gelegen aan de [A-straat] te [Z] . 2.2. De woning betreft een portiekflat met berging. De oppervlakte van de woning bedraagt 66 m². 3Geschil in hoger beroep In hoger beroep is, net als in beroep, in geschil of de WOZ-waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. 4Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft met betrekking tot het geschil het volgende overwogen (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’): “5. De waarde die moet worden vastgesteld is de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die zou zijn betaald door de meest biedende koper als de woning op de meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding te koop is aangeboden. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. 6. Om te beoordelen of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld, moet de rechtbank beoordelen of de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn met de woning van eiser, en zo ja, of de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning. 7. De rechtbank vindt dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn. Zowel de woning als de vergelijkingsobjecten betreffen portiekflats met berging, gelegen in dezelfde buurt, en met hetzelfde bouwjaar. 8. Eiser heeft aangevoerd dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening gehouden heeft met het matige onderhouds- en kwaliteitsniveau van de woning. De rechtbank merkt op dat uit het 'Overzicht taxatiewaarden' blijkt dat de heffingsambtenaar bij de waardering al is uitgegaan van een matig onderhoudsniveau. Eiser heeft niet onderbouwd dat het onderhoudsniveau zodanig is, dat het als ‘slecht’ moet worden gekwalificeerd. De rechtbank is verder van oordeel dat uit de door eiser overgelegde foto’s niet blijkt dat daarnaast ook rekening moet worden gehouden met een matig kwaliteitsniveau. 9. Eiser heeft zich verder op het standpunt gesteld dat vergelijkingsobjecten verkoop 1 en verkoop 3 ten tijde van verkoop in goede staat verkeerden wat betreft het onderhoud. Dit blijkt volgens eiser uit de tekst en foto’s van de verkoopadvertenties. De rechtbank vindt in deze advertentietekst en foto’s echter niet voldoende aanleiding voor de conclusie dat rekening moet worden gehouden met een bovengemiddeld onderhoudsniveau van de twee vergelijkingsobjecten. 10. Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar bij de waardebepaling rekening moet houden met VvE-reserves. De rechtbank leidt uit het ‘Overzicht taxatiewaarden’ af dat in de waardering ook rekening is gehouden met de aanwezigheid van VvE-reserves. 11. Eiser voert verder aan dat geen sprake is van een zorgvuldige voorbereiding, omdat de heffingsambtenaar geen volledige heroverweging heeft gedaan. Ook zou sprake zijn van een motiveringsgebrek. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Uit de uitspraak op bezwaar blijkt voldoende waarop de heffingsambtenaar zijn beslissing heeft gebaseerd, dat alle relevante waarderingsaspecten bij de (her)beoordeling zijn betrokken en er is voldoende ingegaan op hetgeen in bezwaar is aangevoerd. Niet gebleken is dat er sprake is van een motiveringsgebrek. 15. Eiser voert aan dat de WOZ-waarde met twee procent verminderd moet worden. De gemeente [Z] heeft ter zake het belastingjaar 2019 een korting van twee procent toegepast in verband met lopende procedures over de erfpachtcorrectie. De rechtbank verwerpt het standpunt van eiser dat hij ook voor het belastingjaar 2021 recht heeft op die korting en dat de heffingsambtenaar anders de algemene beginselen van behoorlijk bestuur schendt. Ter motivering verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 23 november 2021. Daarin heeft het gerechtshof geoordeeld dat het vertrouwensbeginsel noch de andere ingeroepen algemene beginselen van behoorlijk bestuur ertoe nopen dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarden voor andere jaren dan 2019 met twee procent zou moeten verlagen. 12. Eiser voert tot slot aan dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase ten onrechte niet op zijn verzoek de op de toegepaste erfpachtcorrecties betrekking hebbende stukken aan hem heeft toegezonden. De rechtbank is echter van oordeel dat er geen sprake is van een gebrek. Uit de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 22 februari 2022 blijkt namelijk de heffingsambtenaar in de bezwaarfase gehouden is om het taxatieverslag toe te sturen, maar dat dit niet geldt voor overige gegevens die door eiser worden genoemd. 13. Eiser voert verder aan dat de door de heffingsambtenaar gehanteerde methode voor het berekenen van de erfpachtcorrectie niet optimaal is. De rechtbank overweegt echter dat de heffingsambtenaar niet verplicht is om uit een brede waaier aan mogelijke schattingen van de erfpachtcorrectie de meest waarschijnlijke of de beste te kiezen. Voldoende is dat de gemeente op zorgvuldige wijze, reële, goed verdedigbare keuzes maakt. Dit volgt ook uit de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 9 mei 2019, waarin het hiervoor genoemde betoog van de gemachtigde van eiser reeds is verworpen. Conclusie 14. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk. 15. Bij die uitkomst is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht.” 5Beoordeling van het geschil in hoger beroep overleggen stukken 5.1. Belanghebbende heeft (eerst) in hoger beroep gevraagd om overlegging van de bouwtekeningen. Belanghebbende heeft de door de heffingsambtenaar gehanteerde woonoppervlakte nimmer betwist, en zijn verzoek om bouwtekeningen op geen enkele wijze onderbouwd, anders dan middels een verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad uit 2018 (ECLI:NL:HR:2018:672). In eerste aanleg heeft de heffingsambtenaar bij brief van 12 januari 2022 de stukken van het geding (in kopie) overgelegd aan de rechtbank. Belanghebbende heeft ook op dat moment niet gevraagd om bouwtekeningen. Nu iedere onderbouwing ontbreekt, en ook niet ter zitting naar voren is gebracht, ziet het Hof geen grond voor een verplichting van de heffingsambtenaar om de bedoelde gegevens alsnog in te brengen. Die verplichting is in ieder geval niet gelegen in de op de heffingsambtenaar rustende bewijslast inzake de door hem vastgestelde WOZ-waarde, aangezien het hem volgens vaste jurisprudentie in een procedure over een WOZ-waarde is toegestaan om de juistheid van die waarde te onderbouwen met gegevens van een beperkt aantal rond de waardepeildatum gerealiseerde verkopen (vrije bewijsleer; vgl. Hof Amsterdam 5 november 2019, 17/00395, ECLI:NL:GHAMS:2019:4018, in samenhang met Hoge Raad 29 mei 2020, 19/05491, ECLI:NL:HR:2020:988). algemene beginselen van behoorlijk bestuur 5.2. Het beroep op andere beginselen van behoorlijk bestuur, zoals geformuleerd in het hogerberoepschrift (het handelen in strijd met het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en/of het motiveringsbeginsel, en het ontbreken van een zorgvuldige voorbereiding van een besluit) treft evenmin doel. Op belanghebbende rust de last feiten en omstandigheden te stellen en (bij betwisting door de heffingsambtenaar) aannemelijk te maken, op basis waarvan geconcludeerd kan worden dat de heffingsambtenaar een of meerdere van genoemde beginselen heeft geschonden. Op basis van al hetgeen belanghebbende in dat verband heeft aangevoerd kan die conclusie niet worden getrokken. WOZ-waarde 5.3. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. Op de heffingsambtenaar rust de last aannemelijk te maken dat de door hem vastgestelde waarde niet te hoog is. 5.4. Het Hof stelt daarbij voorop dat: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.